Hof van Justitie
C-432/20
(ZK, in tegenwoordigheid van: Landeshauptmann von Wien) Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Immigratiebeleid – Richtlijn 2003/109/EG – Artikel 9, lid 1, onder c) – Verlies van de status van langdurig ingezeten derdelander – Afwezigheid van het grondgebied van de Europese Unie gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden – Onderbreking van deze afwezigheid – Onregelmatige en korte verblijven op het grondgebied van de Unie

In de zaak ZK t. Landeshauptmann von Wien verduidelijkt het Hof van Justitie van de EU de uitlegging van het verlies van de status van langdurig ingezetene in de zin van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (hierna: “richtlijn 2003/109/EG”).

In casu werd de aanvraag tot verlenging van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een Kazachs onderdaan, ZK, afgewezen door de Oostenrijkse autoriteiten. Artikel 9, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/109/EG bepaalt immers dat langdurig ingezetenen hun verblijfsstatus niet langer behouden indien zij gedurende een periode van twaalf opeenvolgende maanden niet op het grondgebied van de Unie verblijven. ZK was echter slechts enkele dagen per jaar op het grondgebied van de Unie aanwezig. Dit bracht het Verwaultungsgericht Wien ertoe de prejudiciële vraag te stellen of artikel 9, lid 1, sub c), van richtlijn 2003/109/EG zo moet worden uitgelegd dat elke fysieke aanwezigheid van een langdurig ingezetene op het grondgebied van de Unie binnen een aaneengesloten periode van twaalf maanden volstaat om te voorkomen dat deze zijn recht op de status van langdurig ingezetene verliest, zelfs indien die aanwezigheid binnen deze periode in totaal slechts enkele dagen bedraagt.

Ten eerste merkt het Hof op dat in artikel 4, lid 1, van richtlijn 2003/109/EG als voorwaarde voor de toekenning van de status van langdurig ingezetene aan derdelanders wordt gesteld dat de betrokkene de voorgaande vijf jaar legaal en ononderbroken op het grondgebied heeft verbleven. Het begrip "niet verblijven" (“absence” in de Franse taalversie) is hierbij dus van belang. Dit begrip dient in alle lidstaten op dezelfde wijze te worden uitgelegd, rekening houdend met de bewoordingen en context van die bepaling en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt. Het Hof wijst erop dat de term die in de bepaling wordt gebruikt verschilt naargelang de taalversie van de richtlijn, maar dat in een groot aantal taalversies een term wordt gebruikt die overeenkomt met de term “afwezigheid”. Het Hof verduidelijkt dat met de term zoals hij in de bepaling en in de omgangstaal gebruikelijke betekenis van die term voorkomt, wijst op de fysieke "niet-aanwezigheid" op het grondgebied van de Unie. Hiermee wordt gesuggereerd dat elke fysieke aanwezigheid een onderbreking van deze afwezigheid kan vormen.

Daarnaast merkt het Hof op dat de bepaling niet voorschrijft dat de aanwezigheid van de betrokkene van een bepaalde duur of van een bepaalde stabiliteit moet zijn. Bovendien wijst het Hof op het doel van richtlijn 2003/109/EG, namelijk het waarborgen van de integratie van derdelanders die duurzaam en legaal in de lidstaten zijn gevestigd, en het meer in overeenstemming brengen van de rechten van derdelanders met die van de burgers van de Unie. Het Hof leidt daaruit af dat langdurig ingezeten derdelanders net als burgers van de Unie vrij zijn om zich buiten het grondgebied van de Unie te verplaatsen en er te verblijven, zolang zij niet gedurende de volledige periode van twaalf opeenvolgende maanden afwezig zijn. In dit verband onderstreept het Hof bovendien dat een dergelijke uitlegging het meest geschikt is om de betrokkenen voldoende rechtszekerheid te bieden.

Verder linkt het Hof een dergelijke uitlegging met de uitlegging van de bepaling van artikel 16, lid 4, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden. Net zoals de advocaat-generaal in zijn conclusie, stelt het Hof dat de twee richtlijnen, hoewel verschillend, tot vergelijkbare interpretaties kunnen leiden. Met verwijzing naar eerdere rechtspraak inzake richtlijn 2004/38/EG, volgt hieruit dat artikel 9, lid 1, onder c) van richtlijn 2003/109/EG doelt op het verlies van het recht op de status van langdurig ingezetene in situaties waarin de band van de houder van dit recht met het grondgebied losser is geworden. Volgens het Hof is dit slechts het geval nadat de betrokkene gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden niet op dat grondgebied heeft verbleven (afwezig is geweest). Het Hof concludeert dat artikel 9, lid 1, onder c) van richtlijn 2003/109/EG aldus moet worden uitgelegd dat elke fysieke aanwezigheid van een langdurig ingezetene gedurende een periode van twaalf opeenvolgende maanden, zelfs indien deze in totaal niet meer dan enkele dagen bedraagt, volstaat om te voorkomen dat de ingezetene zijn recht op de status van langdurig ingezetene verliest.