Hof van Justitie
C-718/19
(Ordre des barreaux francophones et germanophone, Association pour le droit des Étrangers ASBL, Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et Étrangers ASBL, Ligue des Droits de l’Homme ASBL, Vluchtelingenwerk Vlaanderen vzw t. Ministerraad) Prejudiciële verwijzing – Burgerschap van de Unie – Artikelen 20 en 21 VWEU – Richtlijn 2004/38/EG – Recht van Unieburgers en hun familieleden om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven – Beslissing tot beëindiging van het verblijf van de betrokkene om redenen van openbare orde – Preventieve maatregelen ter voorkoming van het risico dat de betrokkene onderduikt gedurende de termijn waarbinnen hij het grondgebied van de gastlidstaat moet verlaten – Nationale bepalingen die vergelijkbaar zijn met de bepalingen die krachtens artikel 7, lid 3, van richtlijn 2008/115/EG van toepassing zijn op derdelanders – Maximale duur van bewaring met het oog op verwijdering – Nationale bepaling die identiek is aan de bepaling die van toepassing is op derdelanders

De zaak Ordre des barreaux francophones en germanophone e.a. (Preventieve maatregelen in het licht van verwijdering) betreft een bodemgeschil aanhangig bij het Grondwettelijk Hof in België over twee beroepen tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van de wet van 24 februari 2017. Deze wet heeft tot doel om een efficiënt verwijderingsbeleid voor Unieburgers en hun familieleden te verzekeren. De verwijzende rechter twijfelt aan de verenigbaarheid van verschillende voorschriften met het Europees recht.

 

Zo dient het Hof van Justitie na te gaan of de artikels 20 en 21 VWEU en de richtlijn 2004/38 zich ertegen verzetten tegen een nationale regeling die enerzijds het opleggen van preventieve maatregelen mogelijk maakt ten aanzien van Unieburgers en hun familieleden tegen dewelke een verwijderingsbesluit om redenen van openbare orde is vastgesteld die ertoe strekken het risico te voorkomen op onderduiking, anderzijds het opleggen van bewaringsmaatregelen mogelijk maakt ten aanzien van Unieburgers en hun familieleden die geen gehoor hebben gegeven aan een verwijderingsbesluit om redenen van openbare orde.

 

Het Hof van Justitie benadrukt eerst en vooral dat de zaak niet een toetsing van een verwijderingsbesluit aan het Unierecht betreft, maar de toetsing van maatregelen ter uitvoering ervan. In deze context gaat het Hof van Justitie dan na of het in overeenstemming is met het Unierecht om op Unieburgers en hun familieleden nationale bepalingen toe te passen waarvan de inhoud identiek is aan of vergelijkbaar is met de bepalingen die van toepassing zijn op derdelanders. Aangezien er geen Unierechtelijke regeling, is het aan de lidstaten om regels op te stellen om de tenuitvoerlegging van maatregelen in de zin van artikel 27 van richtlijn 2004/38 te verzekeren, mits geen enkele bepaling van het Unierecht zich daar tegen verzet. Daarom moet er dus nagegaan rekening houdend met de regeleving die specifiek voor Unieburgers en hun familieleden gelden. Preventieve maatregelen en bewaringsmaatregelen kwalificeren zich als beperkingen van de vrijheid van verkeer en verblijf van Unieburgers en hun familieleden zoals neergelegd in de artikels 20 en 21 VWEU en nader uitgewerkt in de bepalingen van richtlijn 2004/38. Daarom moet vervolgens worden nagegaan of er rechtvaardigingsgronden bestaan die in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel. Dit laatste houdt in wat betreft de preventieve maatregelen dat bij de beoordeling rekening moet worden gehouden met de aard van de bedreiging voor de openbare orde en moet voorkeur worden gegeven aan de minst beperkende maatregelen. Wat betreft bewaringsmaatregelen moet voor de beoordeling van de evenredigheid rekening worden gehouden met de bewaringsduur. Het Hof van Justitie vindt een maximum duur van acht maanden disproportioneel om het nagestreefde doel te bereiken.

 

Daarom komt het Hof van Justitie tot de conclusie dat preventieve maatregelen ter voorkoming van de onderduiking in overeenstemming is met artikels 20 en 21 VWEU en richtlijn 2004/38, terwijl bewaringsmaatregelen van maximum acht maanden dit niet is.