Hof van Justitie
C-720/17
(Mohammed Bilali t. Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl) Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Asielbeleid – Subsidiaire bescherming – Richtlijn 2011/95/EU – Artikel 19 – Intrekking van de subsidiairebeschermingsstatus – Vergissing van de overheid ten aanzien van de feitelijke omstandigheden

Op 23 mei 2019 sprak het Hof van Justitie zich uit in de zaak Bilali aangaande de intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus van dhr. Mohammed Bilali door de Oostenrijkse bevoegde autoriteiten. Dhr. Bilali diende op 27 oktober 2009 – als staatloze persoon – een verzoek tot internationale bescherming in, bij de bevoegde Oostenrijkse federale asieldienst. Na een ongunstige beslissing omtrent dit verzoek, ging dhr. Bilali in beroep wat uiteindelijk aanleiding gaf tot een toekenning van subsidiaire beschermingsstatus – in plaats van vluchtelingenstatus - op grond van zijn vermeende Algerijnse nationaliteit, rekening houdend in het bijzonder met o.a. de structurele onveiligheid in Algerije. Alweer diende dhr. Bilali een succesvol beroep in tegen de afwijzing van het asielverzoek. Echter, bij beslissing van 24 oktober 2012, wees de bevoegde Oostenrijkse federale asieldienst het verzoek nogmaals af. Bovendien werd ook de subsidiaire beschermingsstatus ingetrokken op grond van de bevinding dat dhr. Bilali Marokkaans en Mauritaans staatsburger bleek te zijn, waardoor de voorwaarden voor de toekenning van subsidiaire beschermingsstatus zoals vervat in richtlijn 2011/95 (Kwalificatierichtlijn) op geen enkel moment vervuld waren geweest. Hieruit bleek dat de bevoegde instantie in eerste instantie een vergissing was begaan omtrent de vaststelling van de nationaliteit van dhr. Bilali, ten gevolge waarvan hij verkeerdelijk subsidiaire beschermingsstatus was toegekend, en dit zonder bedrieglijke tussenkomst van dhr. Bilali zelf.

 

Het voorgaande gaf uiteindelijk aanleiding tot de vraag van de verwijzende rechter aan het Hof, of de Kwalificatierichtlijn en artikel 19 in het bijzonder (omtrent o.a. de intrekking van subsidiaire beschermingsstatus) zich verzet tegen de intrekking van deze status wanneer de foutieve vaststelling van nationaliteit het gevolg is van een materiele vergissing van de bevoegde nationale instantie. Het is immers zo dat artikel 19 Kwalificatierichtlijn toelaat dat subsidiaire beschermingsstatus o.a. wordt ingetrokken in zoverre de verzoeker niet langer voldoet aan de toekenningscriteria vervat in artikel 16 Kwalificatierichtlijn (artikel 19 (1)); indien de verzoeker onder de uitsluitingsgrond van artikel 17(3) Kwalificatierichtlijn valt (artikel 19(2)); of indien de verzoeker van de subsidiaire beschermingsstatus had moeten uitgesloten zijn en/of feiten verkeerdelijk had weergegeven of achtergehouden en dit doorslaggeven was voor de toekenning (artikel 19(3)). Een materiele vergissing die aanleiding gaf tot de toekenning van een subsidiaire beschermingsstatus ten gevolge van de bevoegde nationale diensten kan hier bijgevolg niet expliciet in gelezen worden.

 

Het Hof beantwoordde de vraag in vijf stappen, houdende dat een materiele vergissing als dusdanig de intrekking van het beschermingsstatuut tot gevolg kan hebben. Vooreerst merkte het Hof op dat er geen meer gunstige Oostenrijkse normen voorhanden zijn waarop dhr. Bilali zich kon beroepen teneinde een verblijfsrecht af te dwingen. Vervolgens erkent het Hof dat artikel 19 Kwalificatierichtlijn de enige bepaling is waarin expliciet de modaliteiten voor intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus worden aangegeven – materiele vergissingen werden hier niet expliciet in opgenomen. Echter, het Hof benadrukt tezelfdertijd dat deze bepaling ook niet uitdrukkelijk uitsluit dat de status van subsidiaire bescherming kan worden verloren op grond van onjuiste gegevens. Ten derde interpreteert het Hof artikel 19 Kwalificatierichtlijn, rekening houdend met het doel en algemene opzet van de bepaling alsook de richtlijn. Volgens het Hof dient artikel 19 gelezen te worden in samenhang met artikel 16 Kwalificatierichtlijn, waardoor onjuiste gegevens - die aan de basis liggen van de toekenning -voldoende grond vormen om de toegekende status terug in te trekken, in zoverre er vervolgens geen risico tot ernstige schade bestaat vis-à-vis de verzoeker. Enig andere interpretatie is niet verenigbaar met de bepalingen van de desbetreffende richtlijn, die als doel heeft bescherming te bieden aan diegenen die voldoen aan de daarin opgenomen criteria. De richtlijn poogt geen bijkomende bescherming te bieden aan personen die niet voldoen aan de daarin vervatte voorwaarden. Als vierde benadrukt het Hof dat Uniewetgeving aangaande internationale bescherming meer verregaand is en strookt met de bepalingen van het Verdrag van Genève die uitsluitend gericht zijn op vluchtelingenstatus. Als allerlaatste benadrukt het Hof dat de uitspraak geenszins een standpuntbepaling betreft omtrent een eventueel (ander) verblijfsrecht in hoofde van de verzoeker. Bovendien dient er rekening gehouden te worden met fundamentele rechten van de betrokkene, met name het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven zoals gewaarborgd door het Handvest alsook het EVRM.