Hof van Justitie
C-673/19
(M e.a. tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en T) Prejudiciële verwijzing – Asiel en immigratie – Richtlijn 2008/115/EG – Artikelen 3, 4, 6 en 15 – Vluchteling die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft – Inbewaringstelling met het oog op overbrenging naar een andere lidstaat – Vluchtelingenstatus in die andere lidstaat – Beginsel van non-refoulement – Geen terugkeerbesluit – Toepasselijkheid van richtlijn 2008/115

Het arrest M. e.a. (Transfert vers un État membre) betrof een prejudiciële vraag omtrent de bewaring van derdelanders met het oog op hun overbrenging naar andere lidstaten die hen de vluchtelingenstatus had toegekend. Het ging om drie derdelanders, M, A, en T, die een verzoek om internationale bescherming hadden ingediend in Nederland. De Nederlandse staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde deze verzoeken echter niet-ontvankelijk aangezien de derdelanders reeds de vluchtelingenstatus hadden verkregen in een andere lidstaat. De derdelanders kregen daarom het bevel tot onmiddellijk vertreknaar deze lidstaten, maar geen van de derdelanders heeft gehoor gegeven aan dit bevel.

 

Volgens art. 6, lid 1 en 2 van richtlijn 2008/115 (hierna: terugkeerrichtlijn) moet de lidstaat waarin de derdelander illegaal verblijft (art. 3, lid 2) een terugkeerbesluit uitvaardigen. Een dergelijk terugkeerbesluit kon volgens de Nederlandse Raad van State in casu echter niet worden uitgevaardigd door de staatssecretaris, omdat de uitvaardiging ervan tot gevolg zou hebben dat de derdelanders zouden worden teruggestuurd naar hun land van herkomst. Deze terugkeer naar het land van herkomst zou namelijk een schending uitmaken van het beginsel van non-refoulement.

 

De derdelanders werden bijgevolg in bewaring gesteld met het oog op hun gedwongen overbrenging naar de lidstaten die hen reeds de vluchtelingenstatus hadden toegekend. M, A en T verzetten zich echter tegen deze inbewaringstelling, verwijzend naar artikel 15, lid 1 terugkeerrichtlijn op grond waarvan inbewaringstelling slechts mogelijk is wanneer een terugkeerbesluit werd uitgevaardigd, wat in casu niet werd gedaan. De vraag rijst dus of een lidstaat bewaringsmaatregelen kan treffen om de overbrenging van een derdelander naar een andere lidstaat te verzekeren in het geval dat er geen terugkeerbesluit werd uitgevaardigd. Na een beroep in eerste aanleg verwees de Nederlandse Raad van State in hoger beroep deze vraag bij wijze van een verzoek om een prejudiciële beslissing naar het Hof van Justitie. 

 

Ten eerste oordeelt het Hof van Justitie dat de situatie van de derdelanders binnen de werkingssfeer van de terugkeerrichtlijn valt. De richtlijn is immers van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen (art. 2, lid 1 terugkeerrichtlijn). Het Hof is van oordeel dat wanneer derdelanders alleen een verblijfsrecht genieten in een andere lidstaat, zoals in het geval van M, A en T die reeds de vluchtelingenstatus verkregen in een andere lidstaat, er eveneens sprake is van een illegaal verblijf in de zin van art. 3, lid 2 terugkeerrichtlijn.

 

In de tweede plaats oordeelt het Hof van Justitie dat de lidstaten in beginsel op grond van art. 6, lid 2 terugkeerrichtlijn verplicht zijn om een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen een illegaal op het grondgebied verblijvende derdelander. Volgens art. 3, lid 3 terugkeerrichtlijn kan een derdelander worden teruggestuurd naar het land van herkomst, een land van doorreis of een ander derde land waarnaar de derdelander vrijwillig besluit terug te keren. Het Hof is van oordeel dat in casu echter geen van die landen een terugkeerbestemming kan zijn, waarbij met name het beginsel van non-refoulement in overweging wordt genomen. Hieruit volgt dat Nederland juridisch gezien niet in staat is om een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen de illegaal op zijn grondgebied verblijvende derdelander die weigert zich onmiddellijk te begeven naar de lidstaat waar hij een verblijfsvergunning heeft.

 

Het Hof van Justitie herinnert er vervolgens aan dat de terugkeerrichtlijn niet tot doel heeft alle nationale voorschriften inzake het verblijf van vreemdelingen te harmoniseren. De richtlijn strekt er volgens het Hof niet toe vast te stellen welke gevolgen worden verbonden aan het illegale verblijf op het grondgebied van een lidstaat van derdelanders tegen wie geen besluit naar een derde land kan worden uitgevaardigd. Hieruit volgt dat het besluit van een lidstaat om een illegaal op zijn grondgebied verblijvende onderdaan van een derde land onder dwang over te brengen naar een lidstaat die hem de vluchtelingenstatus heeft toegekend, niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, doch binnen de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaat inzake illegale immigratie. Wat betreft inbewaringstelling van de derdelanders in dergelijke omstandigheden geldt hetzelfde. Niettemin herinnert het Hof eraan dat bij de gedwongen overbrenging en de inbewaringstelling de betrokken lidstaat de grondrechten van de derdelander moet eerbiedigen.

 

Concluderend stelt het Hof van Justitie dat art. 3, 4, 6 en 15 terugkeerrichtlijn er niet aan in de weg staan dat een lidstaat een illegaal op zijn grondgebied verblijvende derdelander in bewaring stelt met het oog op zijn gedwongen overbrenging naar een andere lidstaat waar hij de vluchtelingenstatus bezit. Dergelijke inbewaringstelling is slechts mogelijk voor zover de derdelander heeft geweigerd gehoor te geven aan het bevel om naar de andere lidstaat te vertrekken en het niet mogelijk is om een terugkeerbesluit uit te vaardigen op grond van de terugkeerrichtlijn.