Hof van Justitie
C-368/20 en C-369/20
(NW t. Landespolizeidirektion Steiermark (C 368/20) en Bezirkshauptmannschaft Leibnitz (C 369/20)) Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Vrij verkeer van personen – Verordening (EU) 2016/399 – Schengengrenscode – Artikel 25, lid 4 – Tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen voor een totale periode van ten hoogste zes maanden – Nationale regeling die voorziet in verschillende opeenvolgende perioden van grenstoezicht waardoor deze periode wordt overschreden – Onverenigbaarheid van een dergelijke regeling met artikel 25, lid 4, van de Schengengrenscode wanneer de opeenvolgende perioden gebaseerd zijn op dezelfde bedreiging of dezelfde bedreigingen – Nationale regeling op grond waarvan op straffe van een sanctie een paspoort of identiteitskaart moet worden getoond bij het grenstoezicht aan de binnengrens – Onverenigbaarheid van deze verplichting met artikel 25, lid 4, van de Schengengrenscode wanneer het toezicht zelf in strijd is met deze bepaling

De zaak Landespolizeidirektion Steiermark betreft twee prejudiciële vragen over de uitlegging van artikelen 25 en 27 van verordening 2016/399 (de Schengengrenscode), welke voorzien in een uitzondering op het verbod op grenstoezicht aan de binnengrenzen. Artikel 25, lid 4 voorziet dat grenstoezicht in geval van een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid een maximale duur van zes maanden kent. In casu werd NW gevraagd zijn identiteitskaart en paspoort te tonen bij een grenscontrole op een moment dat er reeds zes maanden verlopen waren sinds de eerste inroeping van artikel 25 van de Schengengrenscode. Oostenrijk had de verlenging van het grenstoezicht gebaseerd op verschillende bepalingen, maar op het moment van de feiten in deze zaak leek Oostenrijk zich te beroepen op een herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen op grond van artikel 25. De vraag in kwestie was aldus of deze herinvoering in strijd is met het Unierecht.

NW en de Commissie waren van mening dat een herinvoering van het grenstoezicht op basis van artikel 25 alleen in lijn is met het Unierecht wanneer er sprake is van een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid die naar hun aard nieuw zijn. Oostenrijk daarentegen beweerde dat zulke herinvoering mogelijk is bij een nieuwe beoordeling van de eerdere bedreiging.

Het Hof weerlegt het argument van Oostenrijk aan de hand van verschillende elementen. Ten eerste merkt het Hof op dat de letterlijke bewoording van artikel 25, lid 4 (“niet langer dan zes maanden”) iedere mogelijkheid om deze duur te overschrijden uitsluit. Ten tweede bevestigt het Hof dat uitzonderingen op het vrij verkeer van personen steeds strikt dienen geïnterpreteerd te worden. De uitvoering van artikel 25 wordt in de volgende artikelen namelijk strikt geregeld. Op basis van deze twee aspecten besluit het Hof dat de Uniewetgever niet de intentie had om grenstoezicht aan de binnengrenzen op grond van artikel 25 herinvoerbaar te maken na een nieuwe beoordeling van de eerdere bedreiging. Ten derde verwijst het Hof nog naar de context van artikel 25, welke beoogt een billijk evenwicht te bewaren tussen enerzijds het vrije verkeer van personen en anderzijds de noodzaak om de openbare orde en de binnenlandse veiligheid te verzekeren van het grondgebied waarop deze personen zich verplaatsen. Het Hof concludeert dat de verwijzende rechter moet nagaan of de bedreiging waarmee de lidstaat wordt geconfronteerd nog steeds dezelfde is dan wel of er sprake is van een nieuwe bedreiging die deze lidstaat in staat stelt om onmiddellijk na afloop van die periode van zes maanden door te gaan met controles aan de binnengrenzen om die nieuwe bedreiging tegen te gaan.

Het Hof voegt hier aan toe dat het opleggen van een sanctie voor het niet naleven van een strijdige herinvoering van het grenstoezicht op zich ook strijdig is met het Unierecht.