Hof van Justitie
C-246/17
(Ibrahima Diallo t. Belgische Staat) Prejudiciële verwijzing – Burgerschap van Europese Unie – Richtlijn 2004/38/EG – Artikel 10, lid 1 – Aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie – Afgifte – Termijn – Vaststelling en kennisgeving van het besluit – Gevolgen van niet-naleving van de termijn van zes maanden – Procedurele autonomie van de lidstaten – Doeltreffendheidsbeginsel

Het arrest Diallo gaat over een weigering van aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een EU-burger. Met name werd de aanvraag van een Guinees staatsburger als bloedverwant in opgaande lijn van een kind met de Nederlandse nationaliteit dat in België woont geweigerd door de Belgische autoriteit en werd hij gelast het grondgebied te verlaten. In beroep werd dit weigeringsbesluit echter vernietigd. Vervolgens nam de Belgische autoriteit een nieuw weigeringsbesluit aan, waartegen Diallo uiteindelijk in cassatieberoep ging, aangezien hij van mening was dat een nieuwe termijn van zes maanden nadat het eerste weigeringsbesluit nietig werd verklaard de nuttige werking van art. 10, lid 1, richtlijn 2004/38 ontneemt. Deze bepaling stelt immers dat het besluit over de toekenning van een verblijfsrecht aan de betrokkene moet worden meegedeeld binnen een termijn van zes maanden na indiening van dat verzoek. Hieromtrent vraagt de verwijzende rechter dan ook verduidelijking aan het Hof van Justitie.

Eerst en vooral verklaart het Hof van Justitie dat een besluit over de aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een EU-burger binnen een termijn van zes maanden moet worden aangenomen, alsook ter kennis worden gebracht aan de betrokkene. In overeenstemming met art. 10, lid 1, richtlijn 2004/38 kan er hieromtrent, aldus het Hof van Justitie, geen twijfel bestaan. Dit geldt ook voor een weigeringsbesluit. Vervolgens buigt het Hof van Justitie zich over de vraag wat het gevolg is van de niet-naleving van deze termijn van zes maanden. Art. 10, lid 1, richtlijn 2004/38 gaat echter niet zo ver dat de bevoegde autoriteit verplicht is om een verblijfskaart ambtshalve af te geven wanneer de termijn van zes maanden wordt overschreden, zonder dat er eerst wordt vastgesteld dat die persoon daadwerkelijk voldoet aan de voorwaarden om in het gastland te verblijven. Hoewel stilzwijgende goedkeuring of toestemming in overeenstemming kan zijn met het EU-recht, mag de nuttige werking van het EU-recht niet teniet worden gedaan. Aangezien art. 10, lid 2, richtlijn 2004/38 bepaalt dat documenten moeten worden voorgelegd waaruit blijkt dat de betrokkene een familielid is van een EU-burger, kan een verblijfskaart op grond van art. 10, lid 1, richtlijn 2004/38 niet worden afgegeven aan een derdelander die niet aan de voorwaarden voldoet. Daaruit volgt dat het overschrijden van de termijn van zes maanden kan worden gelijkgesteld met een weigeringsbesluit, maar niet met een goedkeuringsbesluit. Nationale regelingen die voorzien in een automatische afgifte van verblijfskaarden van een familielid van een EU-burger na het verstrijken van de termijn van zes maanden is in strijd met het EU-recht.

Tot slot is het Hof van Justitie van oordeel dat een nietigverklaring van een weigering van een aanvraag voor een verblijfskaart in het licht van art. 10, lid 1, richtlijn 2004/38 niet automatisch leidt tot een volledig nieuwe termijn van zes maanden. Het automatisch ingaan van een volledig nieuwe termijn van zes maanden zou het recht van een familielid van een EU-burger om een besluit te krijgen over de aanvraag voor een verblijfskaart in de zin van art. 10, lid 1, richtlijn 2004/38 erg kunnen bemoeilijken. Om de uitoefening van het fundamentele en individuele recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de EU-lidstaten te vergemakkelijken en te versterken, moet het familielid zo spoedig mogelijk in het bezit worden gesteld van de verblijfskaart. Een nieuwe termijn na een nietigverklaring is dan ook kennelijk onevenredig. Bijgevolg dienen de bevoegde autoriteiten een nieuw besluit te nemen binnen een redelijke termijn die in geen geval de termijn gesteld in art. 10, lid 1, richtlijn 2004/38 kan overschrijden.