Hof van Justitie
C-58/23
(Y.N. t. Republika Slovenija) Prejudiciële verwijzing – Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Asielbeleid – Gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming – Richtlijn 2013/32/EU – Artikelen 22 en 23 – Recht op rechtsbijstand en vertegenwoordiging – Artikel 46, lid 4 – Redelijke beroepstermijn – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte – Afwijzing van een verzoek om internationale bescherming als kennelijk ongegrond in het kader van een versnelde procedure

De zaak Y.N. tegen Republika Slovenije betrof een verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door een Sloveense bestuursrechter met betrekking tot Y.N., een Marokkaanse onderdaan die in 2022 in Slovenië internationale bescherming had aangevraagd. Het Sloveense ministerie van Binnenlandse Zaken wees zijn verzoek af wegens kennelijk ongegrond. Aangezien dit besluit werd vastgesteld in het kader van een versnelde procedure, werd de termijn om beroep in te stellen tegen dit besluit teruggebracht van vijftien dagen tot drie dagen, inclusief feest- en vrije dagen, vanaf de kennisgeving. Deze termijn kon worden verlengd tot de volgende werkdag indien de laatste dag van deze drie dagen in het weekend viel of een feest- of vrije dag was.

Nu de kennisgeving in casu plaats had gevonden op 23 december 2022, daags voor een weekend met feestdagen, betoogde de verzoeker dat hierdoor in feite slechts één werkdag restte om tegen de beslissing in beroep te gaan. Bovendien spreekt de verzoeker enkel Arabisch en had hij geen tolk ter beschikking. Hij was om die reden genoodzaakt gebruik te maken van een elektronische vertaler om via sms met zijn gemachtigde te communiceren. Daarnaast had het ministerie van Binnenlandse Zaken niet gereageerd op het verzoek van de gemachtigde van de verzoeker om toegang te krijgen tot de informatie zijn dossier, omdat de kennisgeving van afwijzing kort voor een vrije dag werd betekend. De verzoeker betoogde dat hij zijn beroep niet naar behoren had kunnen voorbereiden, in strijd met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).

Het Hof heeft deze omstandigheden getoetst aan de waarborgen in artikel 47 van het Handvest, en aan richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna: ‘richtlijn 2013/32/EU’). Hoewel richtlijn 2013/32/EU voorziet in een versnelde onderzoeksprocedure voor personen die internationale bescherming aanvragen, waarborgt zij tevens kosteloze rechtsbijstand en toegang tot informatie in het dossier van de verzoeker voor diens vertegenwoordiger. Het Hof oordeelt dat het Unierecht zich verzet tegen een nationale regeling die een termijn oplegt van drie dagen, inclusief feestdagen en vrije dagen, voor het instellen van beroep tegen een beslissing waarbij een verzoek om internationale bescherming als kennelijk ongegrond wordt afgewezen, wanneer deze termijn de uitoefening van de in de artikelen 12, lid 1, sub b, 12, lid 2, 22 en 23 van richtlijn 2013/32/EU vervatte rechten kan verhinderen.