Hof van Justitie
C-680/17
(Sumanan Vethanayagam, Sobitha Sumanan, en Kamalaranee Vethanayagam t. Minister van Buitenlandse Zaken) Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Gemeenschappelijke visumcode – Verordening (EG) nr. 810/2009 – Artikel 5 – Lidstaat die bevoegd is om een visumaanvraag te onderzoeken en daarover te beslissen – Artikel 8 – Vertegenwoordigingsregeling – Artikel 32, lid 3 – Beroep tegen een besluit tot weigering van een visum – Lidstaat die bevoegd is om in geval van een vertegenwoordigingsregeling over het beroep te beslissen – Houders van het recht om beroep in te stellen

Op 29 juli 2019 velde het Hof van Justitie een oordeel in de Sumanan Vethanayagam zaak. Deze zaak betrof een geweigerd visum voor kort verblijf t.a.v. een echtpaar met de Sri Lankaanse nationaliteit met het bezoek van de zus van de echtgenoot tot doel. Deze visumaanvraag werd ingediend bij het Zwitsers consulaat dat optreedt als de vertegenwoordiger van Nederland, alwaar de zus van de echtgenoot verblijft. De visumaanvragen werden echter afgewezen, aangezien het echtpaar niet kon aantonen dat zij over voldoende bestaansmiddelen beschikten. Ook de nieuwe visumaanvraag verzocht door de zus van de echtgenoot als referent werd door de Nederlandse visadienst geweigerd. Bezwaren tegen deze weigeringsbesluiten werden respectievelijk afgewezen en onontvankelijk verklaard. De prejudiciële vragen gericht tot het Hof van Justitie rezen in het kader van de beroepsprocedure ten aanzien van deze beslissingen. Het echtpaar was van oordeel dat zij recht hadden om een visumaanvraag in het land van de hoofdbestemming in te dienen en dat het beginsel van doeltreffende voorziening in rechte werd geschonden door een visumaanvraag volledig toe te vertrouwen aan een andere staat. Bijgevolg diende het Hof van Justitie zich ten gronde uit te spreken over vier prejudiciële vragen.

 

De eerste prejudiciële vraag behandelde de vraag of de referent in eigen naam op grond van art. 32, lid 3, Visumcode een beroep kan instellen tegen een besluit tot weigering van een visum. Het Hof van Justitie kwam tot het besluit dat art. 32, lid 3, Visumcode de referent dergelijke mogelijkheid niet biedt gelet op de bewoording, de context en de doelstelling van de Visumcode. Ten eerste voorziet art. 32, lid 3, Visumcode uitdrukkelijk wie het recht heeft om een beroep in te stellen. Ten tweede kan een besluit tot weigering uitsluitend gebaseerd zijn op redenen die specifiek zijn voor de visumaanvrager. Tot slot kan de referent louter optreden als een ondergeschikte of bijkomende partij en niet als een onafhankelijke persoon. Daarom beschikt de referent op grond van art. 32, lid 3, Visumcode niet over de mogelijkheid om beroep in te dienen tegen een weigeringsbesluit.

 

Wat de tweede en derde prejudiciële vragen betreffen, dient het Hof van Justitie te oordelen of de vertegenwoordigde lidstaat kan beslissen over een beroep tegen een weigeringsbesluit wanneer het consulaat van een vertegenwoordigende lidstaat bevoegd was om te besluiten over het al dan niet toekennen van een visum van kort verblijf. Het Hof van Justitie oordeelde echter dat de vertegenwoordigende lidstaat die over de visumaanvraag beslist heeft, de lidstaat is die over de beroepen tegen het weigeren van een visumaanvraag moet oordelen. Het Hof van Justitie merkt eerst en vooral op dat de visumcode ook betrekking heeft op Zwitserland overeenkomstig de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake het Schengenacquis. Lidstaten zijn toegestaan om bilaterale vertegenwoordigingsregelingen te treffen waarin de ene lidstaat ermee instemt om een andere lidstaat te vertegenwoordigen bij het nemen van besluiten over visumaanvragen, teneinde te voorkomen dat visumaanvragers onevenredige moeite moeten doen om toegang tot een consulaat te krijgen. Vervolgens stelt het Hof van Justitie dat het van belang is om na te gaan wat het voorziene niveau van vertegenwoordiging is en dus na te gaan of de vertegenwoordigende of de vertegenwoordigde lidstaat het besluit omtrent de visumaanvraag neemt. In casu bepaalt de vertegenwoordigingsregeling tussen Nederland en Zwitserland dat de vertegenwoordigende lidstaat –Zwitserland dus – besluiten omtrent visumaanvragen neemt en beroepen omtrent deze besluiten behandelt. Bijgevolg komt het aan Zwitserland toe om het definitieve besluit aan te nemen, alsook beroepen omtrent deze besluiten te behandelen.

 

Tot slot rees ook nog een vierde en laatste prejudiciële vraag, namelijk of de voorgaande redenering in overeenstemming is met het recht op effectieve rechterlijke bescherming. Het Hof van Justitie oordeelde dat de aantekening van een beroep tegen een weigeringsbesluit in de vertegenwoordigende lidstaat in overeenstemming is met dit recht. Het algemeen beginsel van recht op effectieve rechterlijke bescherming moet worden gewaarborgd door de lidstaten, ook door Zwitserland gelet op de associatieovereenkomst inzake het Schengenacquis. Bovendien is Zwitserland lid bij het EVRM en verbindt het zich tot de beginselen van vrijheid, democratie, rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten via de associatieovereenkomst. Daarom is ook een beroep voorzien door de vertegenwoordigende lidstaat in overeenstemming met het recht op effectieve rechterlijke bescherming.

 

Concluderend kan worden gesteld dat uitsluitend de aanvrager van het visum van kort verblijf over de mogelijkheid beschikt om beroep tegen het besluit hieromtrent aan te tekenen. Dit beroep dient te worden ingediend bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die ook het definitieve besluit van de visumaanvraag heeft genomen, hetgeen in overeenstemming is met het recht op effectieve rechterlijke bescherming.