Hof van Justitie
C-402/19
(LM t. Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van Seraing) Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Richtlijn 2008/115/EG – Terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders – Ouder van een meerderjarig kind dat aan een ernstige ziekte lijdt – Terugkeerbesluit – Beroep in rechte – Schorsende werking van rechtswege – Waarborgen in afwachting van terugkeer – Elementaire levensbehoeften – Artikelen 7, 19 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Op 30 september velde het Hof van Justitie een oordeel in de zaak LM. In deze zaak diende onderzocht te worden of een nationale wettelijke regeling die niet bepaalt dat er moet worden voorzien in de elementaire levensbehoeften van een derdelander in strijd is met het EU-recht, wanneer deze derdelander beroep heeft ingesteld tegen een terugkeerbesluit, het meerderjarige kind van de derdelander een ernstige ziekte heeft, de aanwezigheid van de derdelander bij dit meerderjarig kind onmisbaar is voor het kind en er een beroep is ingesteld tegen het terugkeerbesluit van het kind, waarbij de uitvoering ervan een ernstig risico inhoudt dat de gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert. LM en zijn dochter hadden immers een aanvraag voor machtiging tot verblijf om medische redenen ingediend, die aanvankelijk ontvankelijk werd verklaard, maar nadien werd afgewezen, gepaard gaand met een bevel het Belgische grondgebied te verlaten. De sociale bijstand werd niet langer toegekend vanaf het moment het kind van LM meerderjarig werd. Hiertegen werd beroep ingesteld door LM voor de verwijzende rechter. In het bijzonder diende het Hof van Justitie art. 5, 13 en 14 richtlijn 2008/115 in het licht van art. 7, 19, 21 en 47 EU-Handvest in het kader van deze prejudiciële procedure te interpreteren.

In afwachting van terugkeer dienen overeenkomstig art. 14 richtlijn 2008/115 een aantal waarborgen in acht te worden genomen. Dit geldt ook wanneer een EU-lidstaat gehouden is om een derdelander de mogelijkheid te bieden om tegen een terugkeerbesluit op te komen met een beroep dat van rechtswege schorsende werking heeft. Om te voldoen aan de vereisten van het beginsel van non-refoulement en art. 47 EU-Handvest moet het beroep tegen een terugkeerbesluit van rechtswege schorsende werking hebben, wanneer de uitvoering van het terugkeerbesluit voor de derdelander een ernstig risico inhoudt dat hij wordt onderworpen aan behandelingen die in strijd zijn met art. 19, lid 2, EU-Handvest. Dit laatste is in het bijzonder het geval wanneer de uitvoering van het terugkeerbesluit voor de derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert. Voor de ouder van die derdelander volgt louter uit deze hoedanigheid als ouder niet dat deze zal worden blootgesteld aan behandelingen die in strijd zijn met art. 19, lid 2, EU-Handvest. Wanneer de derdelander volledig afhankelijk is van de ouder zou de uitvoering van het terugkeerbesluit tegen de ouder een belemmering kunnen vormen voor deze derdelander om tijdelijk op het grondgebied van de EU-lidstaat te blijven. Dit zou ingaan tegen de bescherming die wordt geboden aan het kind tegen dewelke een terugkeerbesluit is aangenomen in overeenstemming met art. 5 en 13 richtlijn 2008/115 in samenhang gelezen met art. 19, lid 2, en 47 EU-Handvest. Daarom moet ook de ouder van de derdelander de mogelijkheid hebben om een beroep in te stellen dat van rechtswege schorsende werking heeft tegen het terugkeerbesluit.

Bijgevolg zullen de waarborgen voorzien in art. 14 richtlijn 2008/115 ook moeten worden voldaan in afwachting van terugkeer voor een derdelander die ouder is van een meerderjarig, ernstig ziek kind dat van hem afhankelijk is en tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd waarvan de uitvoering voor dat meerderjarige kind een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare verslechtert. Deze waarborgen houden in dat de eenheid van het gezin met de op het grondgebied aanwezige gezinsleden wordt gehandhaafd, dat dringende medische zorg wordt verstrekt en essentiële behandeling van ziekte wordt uitgevoerd en dat er rekening wordt gehouden met de speciale behoeften van kwetsbare personen. Het is dan ook noodzakelijk om te voorzien in de elementaire levensbehoeften van een derdelander die, bij gebreke ervan, niet langer in staat is om bij zijn meerderjarig kind te blijven en de hulp te bieden die het kind nodig heeft, maar alleen wanneer de derdelander niet over de middelen beschikt om in zijn eigen onderhoud te voorzien. Het komt aan de EU-lidstaten toe om te bepalen op welke wijze er in de elementaire levensbehoeften van de betrokken derdelander wordt voorzien.