Hof van Justitie
C-231/21
(IA t. Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl) Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Dublin-systeem – Verordening (EU) nr. 604/2013 – Artikel 29, lid 2 – Overdracht van een asielzoeker aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming – Overdrachtstermijn van zes maanden – Mogelijkheid van verlenging van deze termijn tot maximaal één jaar in geval van gevangenzetting – Begrip ‚gevangenzetting’ – Gedwongen opname van de asielzoeker in de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis met rechterlijke toestemming

In de zaak I.A. t. Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl verduidelijk het Hof van Justitie van de EU de uitlegging van het begrip “gevangenzetting” die kan leiden tot de verlenging van de overdrachtstermijn in de zin van artikel 29, lid 2, van de Dublin-III-verordening. De zaak betrof een Marokkaanse onderdaan die in Oostenrijk asiel had aangevraagd nadat hij door Italië had gereisd. De Oostenrijkse autoriteiten verzochten de Italiaanse autoriteiten om overdracht van I.A.en vaardigden een uitzettingsbevel naar Italië uit. Omdat hij wegens een psychische aandoening tegen zijn wil bij een rechterlijke beschikking in een psychiatrische afdeling van een ziekenhuis werd opgenomen, werd I.A. echter slechts naar Italië overgebracht een maand na het verstrijken van de overdrachtstermijn zoals vastgesteld in artikel 29, lid 1, eerste alinea, van de Dublin III-Verordening. De verzoeker stelde beroep in bij het Oostenrijkse Verwaltungsgerichthof (hoogste administratieve rechter) omdat hij betwistte dat zijn opname kon worden gezien als “gevangenzetting” in de zin van art. 29, lid 2, tweede volzin, van de Dublin III-verordening die leidt tot een verlenging van de overdrachtstermijn.  De Oostenrijkse rechter heeft vervolgens de behandeling van de zaak heeft geschorst om prejudiciële vragen te stellen.

 Het Hof analyseert de eerste vraag, namelijk of onder "gevangenzetting" in de zin van artikel 29, lid 2, van de Dublin III-verordening ook kan worden verstaan een opname van een asielzoeker in een psychiatrische afdeling van een ziekenhuis die bij een rechterlijke beslissing is toegestaan omdat die persoon wegens een psychische aandoening een ernstig gevaar voor zichzelf of voor de samenleving vormt. De term wordt niet in de Dublin III-verordening gedefinieerd. Het Hof benadrukt dat één taalversie van een bepaling niet als enige grondslag voor de uitlegging van deze bepaling kan dienen. In de overgrote meerderheid van de taalversies wordt de term "gevangenzetting" of "gevangenisstraf" gebruikt, terwijl slechts in een minderheid van de taalversies ruimere termen worden gebruikt die detentie, bewaring of vrijheidsbeneming aanduiden. Het Hof leidt hieruit af dat in de meeste taalversies de gebruikelijke betekenis wordt gebruikt, wat neerkomt op een vrijheidsstraf die in het kader van een strafprocedure wordt opgelegd wegens het plegen van een strafbaar feit waaraan de betrokkene schuldig wordt bevonden of waarvan hij wordt verdacht. In het licht van voornoemde gebruikelijke betekenis, vervolgt het Hof dat de gedwongen opname van een persoon in een psychiatrische afdeling van een ziekenhuis die door een rechter is toegestaan op grond dat die persoon aan een psychische aandoening lijdt waardoor hij bijzonder gevaarlijk is voor zichzelf of voor de samenleving, niet kan worden aangemerkt als "gevangenzetting" in de zin van artikel 29, lid 2, van de Dublin III-verordening.

Het Hof redeneert voorts dat artikel 29, lid 2, bij wijze van uitzondering de verlenging van de termijn van zes maanden voor overdracht toestaat en dat een ruime uitlegging van het begrip "gevangenzetting", die alle vrijheidsbenemende maatregelen omvat, met inbegrip van maatregelen die niet in het kader van een strafrechtelijke procedure zijn opgelegd, zou voorbijgaan aan het door het Hof benadrukte uitzonderlijke karakter van dit begrip. Hieruit volgt dat deze bepaling strikt moet worden uitgelegd en dat deze uitlegging niet het risico mag inhouden dat de nationale autoriteiten aanzienlijke moeilijkheden ondervinden of dat ze de doeltreffende werking van het Dublin-systeem niet kunnen waarborgen.

Het Hof oordeelde derhalve dat artikel 29, lid 2, van de Dublin III-verordening aldus moet worden uitgelegd dat het begrip "gevangenzetting" niet ziet op de gedwongen opname van een asielzoeker in een psychiatrische afdeling van een ziekenhuis die bij een rechterlijke beslissing is toegestaan omdat die persoon wegens een psychische aandoening een ernstig gevaar voor zichzelf of voor de samenleving vormt.  Aangezien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, stelt het Hof vast dat de tweede vraag niet hoeft te worden beantwoord.