Hof van Justitie
C-38/14
(Subdelegación del Gobierno en Guipuzkoa – Extranjería t. Samir Zaizoune) Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Richtlijn 2008/115/EG – Gemeenschappelijke normen en procedures voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen – Artikelen 6, lid 1, en 8, lid 1 – Nationale regeling op grond waarvan in geval van illegaal verblijf, naargelang van de omstandigheden, ofwel een geldboete wordt opgelegd ofwel de verwijdering wordt gelast

Samir Zaizoune, een Marokkaans staatsburger, werd  bij een politiecontrole in Spanje tegengehouden omdat hij geen identiteitsdocumenten kon voorleggen. Vervolgens werd jegens hem een besluit tot verwijdering van het Spaans grondgebied genomen, gekoppeld met een inreisverbod gedurende vijf jaar, gelet op zijn illegale verblijf in Spanje en zijn gerechtelijke verleden.

 

Zaizoune ging tegen dit besluit in beroep. Het besluit tot verwijdering werd door de rechter in eerste aanleg vernietigd en vervangen door een geldboete. Hiertegen werd door de bevoegde Spaanse autoriteit een beroep ingesteld.

 

De aangezochte rechter in beroep stelt vast dat naar Spaans recht een geldboete de primaire sanctie is voor illegaal verblijf door derdelanders en dat een verwijderingsmaatregel enkel mogelijk is indien dit wordt gerechtvaardigd door verzwarende omstandigheden. Hij vraagt het Hof van Justitie of deze regelgeving verenigbaar is met richtlijn 2008/115[1].

 

Het Hof herinnert eraan dat richtlijn 2008/115 tot doel heeft een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen en daartoe “gemeenschappelijke normen en procedures” vaststelt die elke lidstaat moet toepassen bij de terugkeer van illegaal op hun grondgebied verblijvende derdelanders.

 

Artikel 6, lid 1, van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten verplicht zijn om een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen een derdelander die illegaal op hun grondgebied verblijft. Zodra is vastgesteld dat een derdelander illegaal op hun grondgebied verblijft, moeten de lidstaten een terugkeerbesluit uitvaardigen, tenzij in bepaalde uitzonderlijke situaties, die in deze zaak niet van toepassing zijn.

 

Bovendien verplicht artikel 8 lid 1 van de richtlijn de lidstaten om, wanneer een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, de nodige maatregelen te nemen voor de fysieke verwijdering van de betrokkene. De lidstaten dienen, op grond van hun loyaliteitsplicht en de vereisten van doeltreffendheid, zo spoedig mogelijk te voldoen aan deze verplichting.

 

Het Hof besluit dan ook dat de Spaanse regelgeving, die primair slechts in een geldboete voorziet, niet voldoet aan de vereisten van artikelen 6, lid 1, en 8, lid 1, van richtlijn 2008/115.

 

De mogelijkheid voor de lidstaten om op grond van artikel 4, leden 2 en 3, van richtlijn 2008/115 af te wijken van de normen en procedures die door die richtlijn zijn vastgesteld, kan aan deze conclusie niet afdoen. In dat verband brengt het Hof in herinnering dat de lidstaten geen regeling mogen toepassen die de richtlijn haar nuttige werking kan ontnemen. Dat is nu precies het effect van de Spaanse regeling, die een belemmering vormt voor de toepassing van de bij richtlijn 2008/115 vastgestelde gemeenschappelijke normen en procedures.




[1] Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348, blz. 98)