17 september 2019

Bij de beoordeling van de buitengewone omstandigheden bij een aanvraag gezinshereniging in België met een derdelander moet Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) een afdoende belangenafweging maken in overeenstemming met artikel 12bis §7 Verblijfswet (Vw), zoals Handvest- en richtlijnconform uitgelegd, en in overeenstemming met artikel 8 EVRM. Dat betekent dat DVZ een concrete, evenwichtige en redelijke beoordeling moet maken van de belangen van de betrokken kinderen tegenover de belangen van de Belgische staat. Dat zegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) in een arrest van 23 april 2019.

Feiten

Tijdens een onwettig verblijf in België huwt een Congolese vrouw een Congolese man met wettig verblijf in België. Uit dit huwelijk worden twee kinderen geboren. De vrouw dient een aanvraag gezinshereniging in met haar man. Deze aanvraag wordt onontvankelijk verklaard door DVZ, omdat de vrouw volgens DVZ niet bewezen heeft dat buitengewone omstandigheden haar verhinderen om de aanvraag bij de Belgische ambassade in Congo in te dienen. De vrouw had aangehaald dat ze moeder is van twee jonge kinderen (3 en 2 jaar oud) en dat ze niet gescheiden wou worden van haar man en kinderen om een aanvraag in te dienen te Kinshasa. Dit argument werd niet aanvaard door DVZ omdat:

  • het gezin kan kiezen om één of beide kinderen te laten meereizen met de mama of hier in België te laten
  • het gezin kan contact onderhouden tijdens de afwezigheid van één of meerdere gezinsleden
  • de opvoeding van de kinderen kan besproken worden tussen de ouders
  • de vrouw haar gezinsleven ontwikkeld heeft in onwettig verblijf en daaruit geen rechten kan putten

RvV

De RvV oordeelt dat lidstaten verplicht zijn om verzoeken gezinshereniging te onderzoeken in het belang van de betrokken kinderen met het oog op de begunstiging van het gezinsleven en dit op grond van volgende bepalingen:

  • Uit art. 5, lid 3 Gezinsherenigingsrichtlijn volgt dat een aanvraag gezinshereniging in principe ingediend wordt vanuit het herkomstland van het familielid. Toch kunnen lidstaten in ‘passende gevallen’ aanvaarden dat een aanvraag ingediend wordt terwijl het familielid zich al op het grondgebied van de lidstaat bevindt (art. 5, lid 3 Gezinsherenigingsrichtlijn).
  • In zijn (niet-bindende) richtsnoeren (COM (2014) 210 final van 3-4-2014) geeft de Europese Commissie als voorbeeld van een ‘passend geval’ een situatie waarin een afwijking het beste geacht wordt voor de belangen van minderjarige kinderen.
  • Volgens het Hof van Justitie moeten lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Gezinsherenigingsrichtlijn, inclusief de beoordeling van een ‘passend geval’, een “evenwichtige en redelijke beoordeling maken van alle in het geding zijnde belangen” en “daarbij in het bijzonder rekening houden met belangen van de betrokken kinderen” (HvJ 6-12-2012, nrs C-356/11 en C-357/11).
  • Artikel 7 Handvest van de Grondrechten bevat rechten die overeenstemmen met deze die gewaarborgd worden door artikel 8 EVRM (= recht op een gezinsleven)
  • Volgens artikel 24.2 Handvest van de Grondrechten vormen de belangen van het kind een essentiële overweging bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze verricht worden door overheidsinstanties of particuliere instellingen
  • Het belang van het kind vormt een essentiële overweging die meegenomen moet worden in de belangenafweging vereist onder artikel 8 van het EVRM. Dat betekent dat nationale overheden aandacht moeten besteden aan elementen met betrekking tot de uitvoerbaarheid, haalbaarheid, proportionaliteit van een verblijfs- en of uitwijzingsmaatregel die getroffen wordt ten aanzien van een ouder en deze moeten beoordelen in het licht van het belang van de betrokken kinderen.

Volgens de RvV maakte DVZ in deze zaak géén concrete, evenwichtige en redelijke beoordeling van alle betrokken belangen. Met betrekking tot de kinderen kan volgens de RvV bezwaarlijk gesteld worden dat hun enige belang erin bestaat om contact te onderhouden binnen het gezin en dat hun opvoeding nog besproken kan worden door de ouders. Ook laat DVZ na te motiveren waarom de belangen van de staat een tijdelijke scheiding vergen tussen de vrouw en haar gezin. Zo oordeelt de RvV dat:

  • DVZ niet concreet heeft onderzocht of de kinderen kunnen meereizen met hun moeder en hierbij geen rekening houdt met het feit dat de kinderen op die manier gescheiden worden van hun vader in België
  • DVZ niet concreet heeft onderzocht of de kinderen in België kunnen blijven, waarbij het gezin contact onderhoudt en de ouders de opvoeding bespreken en hierbij geen rekening houdt met het feit dat de jonge kinderen (drie en bijna twee jaar oud) op die manier van hun moeder gescheiden worden

De RvV oordeelt dat de argumentatie van DVZ niet getuigt van een redelijke en evenwichtige beoordeling. Hoewel DVZ een ruime bevoegdheid heeft bij de beoordeling van de buitengewone omstandigheden of ’passende gevallen’, brengt dit ook een meer nauwgezette motiveringsplicht met zich mee, die des te meer geldt in het licht van het hoger belang van het kind en de billijke belangenafweging vereist volgens artikel 8 EVRM.

Ook de stelling van DVZ dat de vrouw haar gezinsleven ontwikkeld heeft in onwettig verblijf en daaruit geen rechten kan putten, wordt niet gevolgd door de RvV. De RvV herinnert eraan dat lidstaten verplicht zijn, om in de Gezinsherenigingsrichtlijn bepaalde gevallen, de gezinshereniging toe te staan (voor zover voldaan is aan de voorwaarden in artikel 7 Gezinsherenigingsrichtlijn), zonder dat lidstaten hun beoordelingsmarge kunnen uitoefenen. Volgens de Gezinsherenigingsrichtlijn zijn gezinsleden “onderdanen van een derde land met ongeacht welke status”. Artikel 10, § 1, 4° Vw voorziet dat een echtgenoot van een in België verblijfsgerechtigde derdelander, van rechtswege toegelaten is tot verblijf voor zover aan de gestelde verblijfsvoorwaarden is voldaan. Noch uit de Gezinsherenigingsrichtlijn, noch uit de Verblijfswet volgt dat het ontwikkelen van een gezinsleven tijdens een wettig verblijf een voorwaarde is om een verblijfsrecht te verkrijgen.