16 december 2019

In de zaak N.A. tegen Finland van 14 november 2019 veroordeelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) Finland voor een schending van het recht op leven (artikel 2 EVRM) en verbod op foltering (artikel 3 EVRM). Een Iraaks onderdaan werd na een terugkeer naar Irak gedood. Het EHRM stelt dat de Finse autoriteiten bepaalde feiten die van belang waren in het verzoek om internationale bescherming niet voldoende hadden onderzocht. Het EHRM kent een morele schadevergoeding van 20.000 euro toe.

Feiten: Iraakse man stemt na afgewezen asielaanvraag in met vrijwillige terugkeer en wordt kort na aankomst in Irak gedood

De verzoekster in de zaak is de dochter van de overleden Iraakse man. Haar vader was een soennitische moslim uit Bagdad, die tot 2002 als majoor in het leger van Saddam Hussein heeft gediend. Na de val van het regime werkte hij voor een Amerikaans logistiek bedrijf. Tussen 2007 en 2015 werkte hij, als enige ambtenaar met Sunni achtergrond, voor het ministerie van Binnenlandse Zaken. Daar voerde hij interne onderzoeken naar mensenrechtenschendingen en corruptie, veelal met betrekking tot leden van de geheime diensten en leden van de sjiitische milities.

In het kader van een onderzoek in 2015 kwam het tot een meningsverschil met een collega die lid is van de sjiitische militiegroep, de Badr-organisatie. In februari en april 2015 ontsnapte de man aan twee aanslagen.

In augustus 2015 vluchtte de man met een deel van zijn familie naar Finland waar hij om internationale bescherming vroeg. Zijn asielaanvraag werd afgewezen. Hoewel de Finse asielinstanties wel geloof hechtten aan de feiten, waren ze van oordeel dat hij als soennitische moslim niet per se vervolgd zou worden in Irak. Ook in beroep wees de administratieve rechtbank van Helsinki het verzoek om internationale bescherming af.

De man stemde in met een vrijwilliger terugkeer, omdat hij onder meer een inreisverbod wilde vermijden in geval van een gedwongen terugkeer. Op 29 november verliet hij Finland met de steun van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Op 17 december 2017 wordt hij in Bagdad doodgeschoten.

EHRM: vermeende vrijwillige terugkeer ontslaat de staat niet van haar verantwoordelijkheden

De Finse overheid haalt aan dat ze niet verantwoordelijk gesteld kan worden voor de dood van de man, en voor schending van artikel 2 en 3 EVRM, omdat de man voor een vrijwillige terugkeer had geopteerd. Ze haalt daarbij onder meer aan dat hij voor vertrek een verklaring had getekend dat geen enkel agentschap of overheidsinstantie aansprakelijk of verantwoordelijk kon worden gesteld.

Het EHRM volgt die redenering niet. Zowel artikel 2 als artikel 3 EVRM zijn één van de meest fundamentele bepalingen van het EVRM. Het gaat om absolute rechten waarop geen afwijkingen en uitzonderingen mogelijk zijn. Zonder zich uit te spreken over de vraag of afstand kan worden gedaan van de in artikelen 2 en 3 gewaarborgde rechten, merkt het EHRM wel op dat, om effectief te zijn in het kader van het EVRM, een afstand van rechten in ieder geval:

  • uit eigen vrije wil, uitdrukkelijk of stilzwijgend, ondubbelzinnig moet worden vastgesteld, en
  • gepaard moet gaan met minimumwaarborgen die in verhouding staan tot het belang van de afstand van rechten.

In de zaak moest de vader van verzoekster de keuze maken tussen:

  • ofwel een verblijf in Finland zonder enige hoop op het verkrijgen van een wettig verblijf
  • ofwel een gedwongen terugkeer met een inreisverbod van twee jaar in het Schengengebied, én de aandacht van de Iraakse autoriteiten op zijn terugkeer
  • ofwel instemmen met een vrijwillige terugkeer én het risico van verdere mishandeling bij zijn terugkeer

In deze omstandigheden is het EHRM van oordeel dat de vader van verzoekster geen echte vrije keuze had tussen deze opties. Hij zou immers niet naar Irak zijn teruggekeerd indien er geen uitvoerbare verwijderingsbeslissing tegen hem was genomen. Bijgevolg beschouwt het EHRM zijn verwijdering naar Irak als een gedwongen terugkeer die onder de verantwoordelijkheid van de Finse staat valt.

EHRM: geen afdoende onderzoek van het verzoek om internationale bescherming

Het EHRM stelt vast dat:

  • de Finse autoriteiten de verklaringen van de vader van verzoekster geloofwaardig en samenhangend vonden.
  • de Finse autoriteiten aanvaardden dat de man van belang kon zijn voor de Iraakse autoriteiten en niet-statelijke actoren.
  • de Finse asielinstanties in hun besluitvorming ook uitgebreid verwezen naar landeninformatie. Uit de landeninformatie blijkt onder meer dat er op dat moment sprake was van spanningen tussen sjiitische en soennitische milities en dat er incidenten waren met een aantal personen die voor Amerikaanse bedrijven hebben gewerkt. Uit die landeninformatie blijkt ook dat er een verhoogd veiligheidsrisico was in Bagdad. 

Hoewel de veiligheidssituatie niet het niveau bereikte van willekeurig geweld, was de situatie wel van die aard dat de besluitvormers moesten evalueren dat die omstandigheden, in het licht van de persoonlijke situatie van de man, hem niet blootstelde aan een verhoogd risico. Bovendien waren de Iraakse autoriteiten in de onmogelijkheid en onwil om Sunni moslims voldoende bescherming te bieden.

Het EHRM stelt dat elk van de afzonderlijke factoren op zich misschien geen reëel risico vormt, maar dat het geheel van deze factoren wel aanleiding kunnen geven tot dergelijk risico.

In dat opzicht redeneert het EHRM dat de nationale instanties geen cumulatieve beoordeling hebben gemaakt van de situatie. Het stelt bovendien dat de nationale instanties niet voldoende gewicht hebben gehecht aan de aanslagen waaraan de man tweemaal was ontsnapt. Ze bekeken deze immers enkel in het licht van de algemene veiligheidssituatie, en niet in functie van de persoonlijke situatie van de man. Ze hielden dus niet voldoende rekening met de in het verleden ondergane vervolging. In die context herhaalt het EHRM dat in het verleden ondergane vervolging relevant kan zijn in de beoordeling van het risico op toekomstige vervolging.

Het EHRM oordeelt dat er geen afdoende onderzoek is gebeurd in het licht van artikel 2 en 3 EVRM en dat Finland haar verplichtingen onder het EVRM heeft geschonden.

Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen