23 september 2016

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geeft in haar arrest A.B. en anderen tegen Frankrijk van 12 juli 2016 opnieuw de grenzen aan waarbinnen de opsluiting van gezinnen met minderjarige kinderen met het oog op repatriëring mogelijk is.

De overheid mag minderjarige kinderen alleen kortstondig opsluiten met het oog op repatriëring als er geen andere, minder dwingende alternatieven mogelijk zijn.

Feiten

Verzoekers in de zaak A.B. en anderen tegen Frankrijk zijn Armeense uitgeprocedeerde asielzoekers, een koppel met hun zoontje, aangekomen in Frankrijk in 2009.

Op 17 februari 2012 zijn de moeder en de vierjarige zoon in het opvangcentrum aangehouden, de dag nadat hun echtgenoot en vader wegens diefstal werd gearresteerd. Ze hebben 18 dagen in het gesloten centrum van Toulouse verbleven.

De Franse administratieve rechter heeft het verzoek tot schorsing van de detentiebeslissing zonder zitting verworpen.

Op 24 februari 2012 heeft het gezin aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gevraagd om hun opsluiting te schorsen als voorlopige maatregel (art. 39 van het procedurereglement van het Hof). Ook dat verzoek werd verworpen.

Uiteindelijk werden ze vrijgelaten nadat ze hadden beslist vrijwillig naar Armenië terug te keren. Wegens gezondheidsproblemen van hun zoon bleven ze toch in Frankrijk. 

Voor het EHRM beweren verzoekers dat hun opsluiting artikelen 3, 5 §1 en §4 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) schond.

Analyse EHRM over schending artikel 3 EVRM (verbod van foltering, onmenselijke en vernederende behandeling)

Artikel 3 EVRM houdt een absoluut verbod op foltering en onmenselijke of mensonterende behandeling in. Er kan dus  geen uitzondering op worden gemaakt.

Volgens het Hof kan de opsluiting van een begeleid minderjarig kind een schending van artikel 3 EVRM uitmaken wanneer er sprake is van:

  • een jong kind
  • een lange periode van detentie
  • detentielokalen die niet aangepast zijn aan de aanwezigheid van kinderen

In de zaak A.B. en anderen tegen Frankrijk was het Hof van oordeel dat artikel 3 EVRM werd geschonden door een vierjarig kind langdurig bloot te stellen aan:

  • zware geluidsoverlast van vliegtuigen op de nabijgelegen luchthaven
  • vrijheidsbeperking
  • verscheidende interviews van zijn ouders aangaande hun juridische en administratieve situatie
  • geüniformeerde en gewapende politieagenten
  • een stroom van mededelingen via luidsprekers 
  • het morele en psychische lijden van zijn ouders ten gevolge van de detentie

Analyse EHRM over schending artikel 5, §1 en §4 EVRM (recht op vrijheid en spoedige voorziening van de  detentie)

Een detentiemaatregel is in overeenstemming met artikel 5, §1 EVRM op voorwaarde dat:

  • er een verwijderingsprocedure loopt en
  • de detentie in functie van de verwijderingsmaatregel staat

Detentie van een kind kan volgens het Hof enkel indien de vrijheidsberoving:

  • noodzakelijk is om de verwijdering van het gezin te verzekeren
  • het laatste redmiddel is na onderzoek van minder dwingende alternatieven

Het Hof oordeelde dat artikel 5, §1 EVRM in hoofde van het kind geschonden was. Uit de bestreden beslissing bleek niet dat de overheid nagegaan had of een minder dwingende maatregel dan detentie mogelijk was.

Volgens het Hof was er sprake van een schending van artikel 5, §4 EVRM in hoofde van het kind. Het volstaat volgens het Hof niet dat beroepsinstantie onderzoekt of de materiële omstandigheden van de detentie zijn aangepast aan een gezin met kinderen. Hij moet ook nagaan of een minder dwingende maatregel dan detentie genomen had kunnen worden. De uitspraak van de beroepsinstantie vond bovendien niet plaats binnen een korte termijn maar slechts na acht maanden na de vrijlating van de betrokkenen.

Analyse EHRM over schending artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging van het privé-, gezins- en familieleven)

Artikel 8 EVRM laat inmenging in de uitoefening van dit recht enkel toe als de inmenging:

  • voorzien is bij wet
  • een of meerdere legitieme doelen nastreeft
  • noodzakelijk is in een democratische samenleving om de legitieme doelen te bereiken

Volgens het Hof maakt de opsluiting van het gezin in een detentiecentrum gedurende 18 dagen een inmenging uit in de uitoefening van hun recht op eerbieding van het familie- en gezinsleven.

Het Hof is van oordeel dat de detentie niet in verhouding staat ten opzichte van het nagestreefde doel van de verwijdering. De overheid moet bij de beoordeling van de proportionaliteit rekening houden met het hoger belang van het kind. Dit houdt onder meer in dat detentie van minderjarigen slechts kan als laatste redmiddel, wanneer er geen alternatieven zijn.

Het Hof is van oordeel dat er sprake is van een onevenredige inmenging in het recht op eerbiediging van het familieleven omdat:

  • er geen concreet vluchtgevaar was
  • geen alternatief voor detentie onderzocht werd
  • er niet naar gestreefd werd de verwijderingsmaatregel zo snel mogelijk uit te voeren en de opsluitingstijd te beperken

Opsluiting van minderjarigen in België?

Gezinnen met minderjarige kinderen die onwettig in België verblijven, mogen in principe niet opgesloten worden in een gesloten centrum. Tenzij dat gesloten centrum is aangepast aan de noden van gezinnen met minderjarige kinderen.

Meestal verblijven ze in een open woonunit in afwachting van hun repatriëring.

De Verblijfswet voorziet als alternatief dat gezinnen met minderjarige kinderen die moeten terugkeren, onder bepaalde voorwaarden verder kunnen verblijven in hun eigen woning.