27 januari 2020

In arrest nr. 186/2019 van 20 november 2019 beantwoordt het Grondwettelijk Hof (GwH) een prejudiciële vraag over een mogelijke schending van het gelijkheidsbeginsel inzake de beroepsmogelijkheden bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV), omschreven in art. 39/2 Verblijfswet (Vw).

Het is de RvV niet toegestaan bij een annulatieberoep, overeenkomstig art. 39/2, §2 Vw, tegen een beslissing tot weigering van een machtiging tot verblijf om medische redenen (9ter-aanvraag), over te gaan tot een onderzoek ex nunc van de situatie van verzoeker. Dit terwijl de RvV een dergelijk onderzoek wél kan voeren voor beroepen in volle rechtsmacht, overeenkomstig art. 39/2, §1 Vw, ingesteld door personen die internationale bescherming vragen wanneer zij ook een schending van art. 2 en 3 EVRM inroepen. Het GwH oordeelde dat dit geen schending van het gelijkheidsbeginsel impliceert, aangezien de verzoekers wiens 9ter-aanvraag geweigerd is nog over andere, daadwerkelijke beroepsmogelijkheden beschikken.

Feiten en procedurele voorgaanden

Op 26 maart 2014 dient verzoeker een 9ter-aanvraag in. Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) verwerpt deze aanvraag op 14 oktober 2014 en levert ook een bevel om het grondgebied te verlaten (BGV) af samen met een inreisverbod.

Op 1 december 2014 stelt verzoeker tegen deze weigeringsbelissing een annulatieberoep en een vordering tot schorsing in bij de RvV en roept volgende elementen in:

  • schending van art. 2 en 3 EVRM
  • nieuwe medische attesten betreffende de ontwikkeling van de gezondheidstoestand, op een later ogenblik neergelegd tijdens de procedure

Op 13 april 2017 verwerpt de RvV het annulatieberoep, aanhangig gemaakt op grond van art. 39/2, §2 Vw, omdat:

  • het niet is toegestaan in dit kader over te gaan tot een ex nunc toetsing van de situatie van verzoeker

Verzoeker tekent op 18 mei 2017 cassatieberoep aan bij de Raad van State (RvS) tegen de weigering om de medische attesten in aanmerking te nemen.

De RvS gaat na of een persoon, wiens 9ter-aanvraag verworpen is en wiens medische toestand sinds de weigeringsbeslissing is geëvolueerd, een daadwerkelijk rechtsmiddel geniet in de zin van art. 13 EVRM. Verzoeker voert in zijn annulatieberoep een schending aan van art. 2 en 3 EVRM. In die context stelt de RvS volgende prejudiciële vraag aan het GwH: schendt art. 39/2, §2 Vw art. 10 en 11 van de Grondwet (Gw) in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3 en 13 EVRM in zoverre het de RvV niet toestaat over te gaan tot een onderzoek ex nunc?

Analyse: Daadwerkelijk rechtsmiddel?

Art. 13 EVRM stelt: “Eenieder wiens rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zelfs indien deze schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.

Om ‘daadwerkelijk’ te zijn in de zin van art. 13 EVRM moet het beroep voor de persoon die een schending aanvoert van art. 2 of 3 EVRM:

  • een aandachtige, volledige en strikte controle mogelijk maken van de situatie van verzoeker (EHRM, 21 januari 2011, M.S.S. t. België en Griekenland, §§ 387 en 389)
  • een van rechtswege opschortende werking hebben, en, in voorkomend geval, moeten nieuwe bewijselementen kunnen worden voorgelegd zodat de rechter de actuele situatie van de verzoeker kan onderzoeken op het ogenblik van de uitspraak (GwH nr. 11/2015, 17 september 2015)

Het GwH stelt dat wanneer een beroep ingesteld wordt bij de RvV tegen een weigeringsbeslissing van een 9ter-aanvraag, de RvV optreedt als annulatierechter zoals omschreven in art. 39/2, § 2 Vw. Dit betekent dat de RvV de wettigheid van de beslissing zal controleren op basis van de elementen waarvan de instantie kennis had op het ogenblik dat zij uitspraak deed. De RvV mag dus geen nieuwe bewijselementen in aanmerking nemen op het ogenblik dat hij uitspraak doet over een eventuele schending van art. 2 en 3 EVRM. Het GwH oordeelt dat dergelijk vernietingsberoep dus geen daadwerkelijk beroep is in de zin van art. 13 EVRM.

Het GwH stelt echter dat rekening moet worden gehouden met alle beroepen waarover de verzoekers beschikken, inclusief de beroepen gericht tegen een uitwijzing en repatriëring naar een land dat een risico op schending van art. 2 of 3 EVRM met zich meebrengt.

Vervolgens onderzoekt het GwH de beroepsmogelijkheden waarover een verzoeker beschikt wiens gezondheidstoestand na de indiening van zijn beroep is gewijzigd. Het GwH stelt dat:

  • de verzoeker op elk ogenblik een nieuwe 9ter-aanvraag kan indienen waarbij nieuwe medische elementen kunnen worden aangevoerd
  • wanneer de tenuitvoerlegging van de verwijderingsmaatregel imminent is alvorens de nieuwe aanvraag ontvankelijk wordt verklaard, kan de verzoeker een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid (UDN) opstarten (art. 39/82, §4, tweede lid Vw)
  • wanneer de tenuitvoerlegging van de verwijderingsmaatregel imminent is en een gewoon schorsingsberoep al was ingediend, kan de verzoeker voorlopige maatregelen vorderen (art. 39/85, §1 Vw)

Beide gronden verplichten de RvV om, op het ogenblik dat hij uitspraak doet, rekening te houden met de actuele gezondheidstoestand van de verzoeker en met de nieuwe bewijselementen die worden voorgelegd. Deze beroepsmiddelen hebben bovendien een van rechtswege opschortende werking. Het GwH concludeert dat een persoon wiens 9ter aanvraag verworpen werd en wiens gezondheidstoestand na de indiening van zijn beroep gewijzigd is, een daadwerkelijk beroep geniet in de zin van art. 13 EVRM.

Tenslotte stelt het GwH dat de situatie van een vreemdeling die een annulatieberoep instelt tegen een weigeringsbeslissing 9ter-aanvraag niet vergeleken moet worden met de situatie van een aanvrager van internationale bescherming die een beroep met volle rechtsmacht heeft ingesteld tegen een weigeringsbeslissing inzake verblijf.

Conclusie

Het GwH concludeert dat art. 39/2, §2 Vw de art. 10 en 11 Gw, in samenhang met art. 2, 3 en 13 EVRM niet schendt.