16 december 2019

De vereiste van de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) dat de bestaansmiddelen bij gezinshereniging met een statische Belg, van de Belg persoonlijk afkomstig moeten zijn, is niet discriminerend. Dat zegt het Grondwettelijk Hof (GwH) in een arrest van 24 oktober 2019 (nr. 149/2019) in antwoord op een aantal prejudiciële vragen van de Raad van State (RvS). Het GwH houdt in zijn arrest geen rekening met een recent arrest van het Hof van Justitie (HvJ) over een gelijkaardige vraag bij langdurig ingezeten derdelanders. In dat arrest oordeelde het HvJ dat lidstaten ook inkomsten die door een derde ter beschikking gesteld worden, in aanmerking kunnen nemen. We bespreken dit arrest in een apart nieuwsbericht. Onderaan dit bericht vind je een link.

Prejudiciële vragen

In de prejudiciële vragen maakte de RvS de vergelijking tussen een ‘statische’ Belg (dit is een Belg die géén gebruik maakte van het vrij personenverkeer) en een ‘EU-beschikker’ die moet bewijzen dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt om niet ten laste te vallen van de sociale bijstand.

Als de statische Belg zich wil herenigen met een familielid moet de Belg stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen bewijzen die van hemzelf afkomstig moeten zijn (volgens de interpretatie van DVZ). Als de EU-beschikker zich wil laten vervoegen door een familielid, kan hij zich voor het bewijs van voldoende bestaansmiddelen minstens gedeeltelijk beroepen op de bestaansmiddelen van zijn echtgenoot. Dat laatste volgt uit vaste rechtspraak van het HvJ die stelt dat niet de minste vereiste gesteld kan worden met betrekking tot de herkomst van de bestaansmiddelen (zie onder meer HvJ 23 maart 2006, C-408/03, Commissie / België en HvJ 16 juli 2015, C-218/14, Singh).

De RvS vroeg aan het GwH of dat verschil in behandeling niet strijdig was met het gelijkheidsbeginsel in de Belgische Grondwet.

GwH

Als de wetgever de voorwaarden voor gezinshereniging regelt, is hij niet verplicht dezelfde regels op te stellen voor statische Belgen en Unieburgers. Die laatste categorie valt immers onder het Unierecht. Wanneer de Belgische wetgever het Unierecht omzet in nationale wetgeving, mag dit echter niet leiden tot verschillen in behandeling die niet redelijk verantwoord zijn. 

Volgens het GwH is het niet zonder redelijke verantwoording dat de financiële situatie van de Belg en niet die van de echtgenoot (die gezinshereniging vraagt), bepalend is. Het GwH komt tot deze conclusie op grond van de volgende overwegingen:

  • Het feit dat de echtgenoot in zijn land van herkomst mogelijks over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen beschikt, waarborgt niet dat hij die inkomsten zal behouden bij zijn verblijf in België.
  • Uit het bestaan van een huwelijksband volgt niet dat de gezinshereniger effectief over de inkomsten van zijn echtgenoot kan beschikken.
  • De artikelen 40bis Verblijfswet (gezinshereniging met een Unieburger) en 40ter §2 Verblijfswet (gezinshereniging met een statische Belg) streven verschillende doelstellingen na:
    • Art. 40bis Verblijfswet strekt ertoe één van de fundamentele doelstellingen van de Unie te verwezenlijken, namelijk het vrij personenverkeer.
    • Met art. 40ter §2 Verblijfswet streeft de wetgever naar een eerlijk immigratiebeleid met als doel de migratiestromen die door gezinshereniging ontstaan, te beheersen. Het opleggen van striktere inkomensvoorwaarden aan een Belgische gezinshereniger is een relevante maatregel om het voortbestaan van het sociale bijstandsstelsel en het verblijf van de overgekomen familie in menswaardige omstandigheden, te verzekeren.
    • Hoewel zowel de bestaansmiddelenvoorwaarde in artikel 40ter §2, als die in artikel 40bis Verblijfswet wil voorkomen dat de familie ten laste zou vallen van de overheid, is het risico dat die situatie zich voordoet groter bij gezinshereniging met een Belg, dan bij gezinshereniging met een Unieburger. Om een verblijfsrecht voor zichzelf te verkrijgen moet een EU-beschikker immers over voldoende bestaansmiddelen beschikken, terwijl dit niet geldt voor een Belg die alleen op basis van zijn nationaliteit een onvoorwaardelijk verblijfsrecht heeft. Er gelden dus striktere financiële eisen voor de EU-beschikker, die, in tegenstelling tot een Belgische gezinshereniger, niet zelf ten laste mag vallen van de overheid. De inkomsten van de EU-beschikker kunnen mee waarborgen dat een dergelijk risico zich niet voordoet wanneer ook zijn echtgenoot met hem in de gastlidstaat verblijft.

Om die redenen concludeert het GwH dat het verschil in behandeling berust op een objectief en pertinent criterium van onderscheid.

Als de Belgische gezinshereniger niet voldoet aan de bestaansmiddelenvoorwaarde, verhindert dit volgens het GwH ook niet dat zijn echtgenoot een verblijfsrecht kan krijgen. De individuele behoefteanalyse in artikel 42 §1, tweede lid Verblijfswet verplicht DVZ immers om op basis van de eigen behoeften van de Belg en zijn familieleden te bepalen welke bestaansmiddelen zij nodig hebben om in hun behoeften te voorzien, zonder ten laste te vallen van de openbare overheden. Het verschil in behandeling op het vlak van de herkomst van de bestaansmiddelen, tussen de statische Belg en de EU-beschikker, heeft dus geen onevenredige gevolgen.

In lijn met rechtspraak HvJ?

Het arrest van het GwH, dat nochtans van latere datum dateert, houdt geen rekening met het arrest van het HvJ van 3 oktober 2019 (HvJ 3 oktober 2019, nr. C-302/18, X/ Belgische staat).

In dat arrest oordeelde het HvJ dat de inkomsten van de aanvrager van de status van langdurig ingezeten derdelander, niet uitsluitend zijn eigen inkomsten moeten zijn, maar ook inkomsten mogen omvatten die door een derde aan de aanvrager ter beschikking gesteld worden. Dit voor zover ze vast, regelmatig en voldoende zijn. In hetzelfde arrest spreekt het HvJ zich ook uit over de bestaansmiddelenvereiste in de Gezinsherenigingsrichtlijn, die van toepassing is op gezinshereniging met derdelanders (= art. 10 en 10bis Verblijfswet).

Volgens het HvJ is de herkomst van de inkomsten, bedoeld in artikel 7, lid 1, c) Gezinsherenigingsrichtlijn, die de derdelander moet hebben om gezinshereniging te kunnen doen, niet beslissend, maar wel de stabiliteit en het toereikend karakter ervan. Ook moet de lidstaat rekening houden met de individuele situatie van de betrokkene. Het inkomen dat de gezinshereniger moet bewijzen, moet dus niet noodzakelijk afkomstig zijn van de gezinshereniger zelf, maar mag ook van een familielid (al dan niet het familielid dat gezinshereniging vraagt) of van een andere derde zijn (voor zover dit inkomen stabiel, regelmatig en toereikend is).

Dat betekent dat de herkomst van de bestaansmiddelen alleen nog relevant is voor zover het gaat om gezinshereniging met een statische Belg: uit rechtspraak van het HvJ blijkt ondubbelzinnig dat de herkomst van de bestaansmiddelen géén relevant criterium is voor gezinshereniging met een derdelander, noch voor gezinshereniging met een EU-beschikker. Dit stelt meerdere problemen:

  • Belgen en derdelanders worden verschillend behandeld op het vlak van gezinshereniging, terwijl het uitdrukkelijk de wil was van de Belgische wetgever om Belgen aan dezelfde voorwaarden voor gezinshereniging te onderwerpen als derdelanders (zie Parl. St. Kamer, 2010-2011, 53-0443/014, p. 23; Hand. Kamer 2010-11, 26 mei 2011, 21-22; Parl.St. Kamer 2010-2011, 443/004). Dit verschil in behandeling is mogelijk in strijd met het gelijkheidsbeginsel in de Grondwet en kan opnieuw aanleiding geven tot een prejudiciële vraag aan het GwH.
  • Het is vaste rechtspraak van het HvJ dat een nationale bepaling richtlijnconform geïnterpreteerd moet worden, wanneer de feiten weliswaar niet binnen de directe werkingssfeer van het Unierecht vallen (zoals gezinshereniging met statische Belgen), maar Unierechtelijke bepalingen intern toepasselijk gemaakt zijn doordat het nationale recht naar de inhoud ervan verwijst (zie onder meer HvJ 7 november 2018, nr. C-380/17, K en B / Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,; HvJ 21 december 2011, C 482/10, Cicala,; HvJ 18 oktober 2012, C 583/10, Nolan, en HvJ 15 november 2016, C 268/15, Ullens de Schooten). Dat is duidelijk het geval voor artikel 40ter Verblijfswet: de Belgische wetgever koos er bewust voor om Belgen aan dezelfde voorwaarden voor gezinshereniging te onderwerpen als derdelanders, die op hun beurt onderworpen zijn aan de Gezinsherenigingsrichtlijn (zie in dezelfde zin: RvS 30 maart 2018, nr. 241.179). Nationale instanties mogen dan géén interpretatie geven aan artikel 40ter Verblijfswet, die afwijkt van de interpretatie die het HvJ geeft aan de Gezinsherenigingsrichtlijn. Dus ook niet over de herkomst van de bestaansmiddelen. Deze kwestie kan daarom aanleiding geven tot prejudiciële vragen aan het GwH en het HvJ.