24 januari 2024

 

De woonplaatsvoorwaarde voor de Brusselse gezinsbijslag in de Ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag (Ordonnantie van 25 april 2019) schendt het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel voor kinderen die feitelijk in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verblijven, maar er niet of niet langer ingeschreven zijn in de bevolkingsregisters. Het Grondwettelijk Hof kwam tot deze conclusie in haar arrest nr. 150/2023 van 9 november 2023 en verwijst expliciet naar twee eerdere arresten waarin het hof tot hetzelfde besluit kwam: arrest nr. 153/2022 van 24 november 2022 en arrest nr. 7/2023 van 19 januari 2023.

Voorwaarden voor Brusselse gezinsbijslag

Het rechtgevend kind moet de Belgische nationaliteit hebben of toegelaten of gemachtigd zijn om in België te verblijven of er zich te vestigen conform de Verblijfswet (artikel 4, 2° Ordonnantie van 25 april 2019) én zijn woonplaats hebben in 1 van de 19 gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (art. 4, 1° Ordonnantie van 25 april 2019). De wet (art. 3, 4° Ordonnantie van 25 april 2019) definieert het begrip woonplaats als ‘de plaats waar de persoon zijn hoofdverblijfplaats heeft volgens de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen en waar die persoon daadwerkelijk hoofdzakelijk verblijft’. Dit betekent dat de hoofdverblijfplaats van het kind volgens het rijksregister in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest moet zijn én dat het kind daar daadwerkelijk moet verblijven om aanspraak te kunnen maken op gezinsbijslag.

Vereiste dat kind ingeschreven moet zijn in bevolkingsregister is niet redelijk

In arrest nr. 153/2022 van 24 november 2022 oordeelde het hof dat alle kinderen die daadwerkelijk in Brussel wonen zich in gelijkaardige situaties bevinden, ongeacht of ze wel of niet zijn ingeschreven in het Rijksregister. De praktijk dat enkel kinderen die ingeschreven zijn in het Rijksregister recht hebben op gezinsbijslag is niet redelijk verantwoord. Een paar maanden later (arrest nr. 7/2023 van 19 januari 2023) verduidelijkte het hof dat ook een ambtelijke schrapping niet kan leiden tot verlies van de gezinsbijslag wanneer vaststaat dat het kind nog steeds feitelijk op het Brussels grondgebied verblijft.

Beroep tot vernietiging ingesteld door vijf vzw’s

Vijf Brusselse vzw’s vorderen voor het hof de vernietiging van de artikelen 3, 4°; 4, 1° en 37 Ordonnantie van 25 april 2019. Deze bepalingen zouden afbreuk doen aan de rechten op gezinsbijslag van kinderen die niet in de bevolkingsregisters zijn ingeschreven, en die zich vaak in precaire omstandigheden bevinden of van buitenlandse afkomst zijn. Het beroep tot vernietiging werd onontvankelijk verklaard voor zover het betrekking had op de artikelen 4, 1° en 37 Ordonnantie van 25 april 2019. Ook de vordering om een voorbehoud van interpretatie te geven aan artikel 37 Ordonnantie van 25 april 2019 werd onontvankelijk geacht. Enkel het beroep tot vernietiging van de woorden “volgens de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen” in artikel 3, 4° Ordonnantie van 19 april 2019 bleef overeind. Het hof herhaalde haar redenering in de arresten nr. 153/2022 en nr. 7/2023 en besloot dat verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is. Bijgevolg schenden de woorden “volgens de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen” de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Bijgevolg hebben kinderen die over een verblijfsrecht beschikken én daadwerkelijk op Brussels grondgebied verblijven, recht op gezinsbijslag.