27 november 2014

Wat moet er gebeuren als een kind door een ouder is overgebracht naar een ander land volgens een rechterlijke beslissing die bij voorraad uitvoerbaar was, er in hoger beroep beslist wordt dat het kind bij de andere ouder moet wonen, en de eerste ouder weigert het kind terug te brengen?

Volgens een arrest van het Hof van Justitie van 9 oktober 2014 kan een terugkeerverzoek alleen worden toegestaan als de gewone verblijfplaats nog in het land van oorsprong is. Die beoordeling moet volgens het Hof worden gemaakt door de rechter in het land waarnaar het kind werd overgebracht. Het Hof van Justitie zegt ook hoe deze beoordeling moet gebeuren. 

De feiten

Een Franse vader en een Britse moeder waren in Frankrijk gehuwd en kregen er een kind. De relatie verslechterde en de echtscheiding werd aangevraagd. Daarna zijn door beide partijen vele procedures over het kind ingeleid. Een beslissing van de Franse rechtbank liet de moeder toe om zich in Ierland te vestigen met het kind. Deze beslissing was bij voorraad uitvoerbaar, ook al stelde de vader tegen deze uitspraak hoger beroep in bij het Hof van Beroep van Bordeaux. Het Hof vernietigde de beslissing van de eerste rechter en bepaalde dat de verblijfplaats van het kind de woonplaats van de vader zal zijn. Voordat deze beslissing in beroep werd uitgesproken, had de moeder zich echter al met het kind in Ierland gevestigd. Na de uitspraak weigerde zij het kind terug te brengen naar Frankrijk. De vader richtte een verzoek aan de High Court in Ierland om de terugkeer van het kind naar Frankrijk te doen bevelen en te doen verklaren dat de moeder het kind ongeoorloofd vasthield in Ierland. De High Court wees deze verzoeken af en de zaak komt voor de Supreme Court, die de zaak schorste om enkele prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.

Beslissing van het Hof van Justitie

Het niet doen terugkeren van het kind naar Frankrijk was ongeoorloofd. Hoewel de overbrenging van het kind naar Ierland op dat moment legaal was, was het niet doen terugkeren van het kind naar Frankrijk na het arrest van het Hof van Beroep van Bordeaux een schending van het gezagsrecht.

Het terugkeerverzoek op basis van het Haags Kinderontvoeringsverdrag van 1980 en artikel 11 van de Brussel IIbis Verordening kan echter alleen worden ingewilligd als het kind zijn gewone verblijfplaats nog in Frankrijk had onmiddellijk voordat het niet-doen terugkeren ongeoorloofd werd.

Die beoordeling zal de Supreme Court moeten maken op basis van alle feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan de zaak. Bij het onderzoek zal de verwijzende rechter met name rekening moeten houden met de redenen voor het verblijf van het kind in Ierland en het voornemen van de moeder. De rechter zal moeten rekening houden met het feit dat de rechterlijke beslissing waarbij de overbrenging is toegestaan, uitvoerbaar was bij voorraad en dat daartegen hoger beroep was ingesteld. Deze factoren pleiten niet voor een vaststelling dat de gewone verblijfplaats van het kind is verplaatst, aangezien de beslissing slechts voorlopig was en de moeder er op het moment van overbrenging niet zeker van kon zijn dat het verblijf in Ierland permanent zou zijn. Dit zal echter moeten worden afgewogen tegen andere feitelijke factoren omdat de bescherming van het belang van het kind primeert.