13 oktober 2020

In zijn arrest nr. P.20.0499.F van 3 juni 2020 vernietigt het Hof van Cassatie (HvC) een beschikking van de kamer van inbeschuldigingstelling (KI) van Luik wegens schending van het hoorrecht.

De KI had de betrokken vreemdeling bij de beoordeling van de legaliteit van zijn administratieve vasthouding niet de mogelijkheid gegeven persoonlijk ter zitting te verschijnen om zich te verdedigen. Dit op grond van COVID-19 instructies van de eerste voorzitter van het hof van beroep van Luik. 

Feiten

Nadat zijn aanvraag gezinshereniging en humanitaire regularisatie was afgewezen, kreeg een Tunesische man een bevel om het grondgebied te verlaten met vasthouding met het oog op verwijdering (bijlage 13septies) betekend en een inreisverbod (bijlage 13sexies) van twee jaar. De man werd in afwachting van zijn repatriëring in detentie geplaatst in het gesloten centrum 127bis in Steenokkerzeel.

Na enkele mislukte repatriëringspogingen werd hem een beslissing betekend waarbij de detentie werd verlengd. De man stelde een verzoek tot invrijheidstelling in bij de raadkamer dat werd ingewilligd, maar DVZ stelde hoger beroep in bij de KI.  

De KI oordeelde dat de beslissing van DVZ om de detentiemaatregel te verlengen wettig was en hervormde de beslissing van de raadkamer, zodat de betrokkene vastgehouden bleef.

Deze uitspraak werd gedaan in afwezigheid van de man. De eerste voorzitter van het hof van beroep van Luik had beslist dat gedetineerden tot nader order niet naar de rechtbank zouden worden overgebracht omwille van sanitaire redenen (COVID-19). Ze konden zich ter zitting laten vertegenwoordigen door hun advocaat.

Betrokkene stelde tegen de beschikking van de KI een cassatieberoep in bij het HvC.

Beoordeling HvC

Het HvC herinnert eraan dat ieder wiens zaak beoordeeld dient te worden door een rechter:

  • het recht heeft om te verschijnen op de hoorzitting,
  • het recht heeft om te worden gehoord en
  • het recht heeft om zich in persoon voor zijn rechter te verdedigen (artikel 6, lid 3, c) EVRM; artikel 14, lid 3 BUPO-verdrag; artikel 41 Handvest van de Grondrechten van de EU; algemeen rechtsprincipe van de rechten van de verdediging).

Het recht om persoonlijk te verschijnen is van toepassing op vreemdelingen die:

  • van hun vrijheid beroofd zijn met het oog op repatriëring en
  • die de krachtens artikelen 71 en 72 Verblijfswet voorziene wettigheidscontrole op een detentiemaatregel willen voorleggen aan de rechterlijke macht.  

De staten die het EVRM hebben ondertekend, kunnen de waarborgen op een eerlijk proces in principe niet beperken.

  • Een tijdelijke afwijking van de verplichtingen vervat in het EVRM, zoals de rechten van de verdediging, is toegestaan wanneer het bestaan van het land bedreigd wordt en:
      • voor zover de ernst van de situatie deze maatregelen strikt vereist en
      • op voorwaarde dat de secretaris-generaal van de Raad van Europa hierover in kennis wordt gesteld (artikel 15, lid 1 en 3 EVRM).
  • Het Hof van Cassatie verduidelijkt dat het recht om tijdelijk af te wijken van de waarborgen op een eerlijk proces gebaseerd moet zijn op een interne rechtsregel die toegankelijk en duidelijk geformuleerd is. Dit vloeit voort uit het legaliteits- en voorzienbaarheidsbeginsel van de strafprocedure en het algemeen rechtsprincipe van de rechten van de verdediging.

In deze zaak stelt het Hof vast dat:

  • de KI uitspraak heeft gedaan in afwezigheid van de betrokkene, terwijl uit het administratief dossier blijkt dat zijn advocaat om de afgifte van een uithalingsbevel had gevraagd.
  • de KI in zijn beschikking louter verwees naar de beslissing van de eerste voorzitter van het hof van beroep van 16 maart 2020, zonder in casu vast te stellen dat het onmogelijk was om betrokkene uit te halen zodat hij zich persoonlijk kon komen verdedigen.

Door toe te laten dat het recht om persoonlijk te verschijnen wordt opgeschort door een handeling van een rechterlijke overheid die geen wet of interne rechtsregel uitmaakt en die niet dezelfde toegankelijkheid en precisie garandeert, heeft de KI volgens het HvC voornoemde verdrags- en wetsbepalingen en algemeen rechtsbeginsel geschonden.  

Het HvC vernietigde bijgevolg de beschikking van de KI van 28/4/2020 en verwees de zaak opnieuw naar de KI.