21 mei 2021

In het arrest H.A. t. België (nr. C-194/19) van 15 april 2021 oordeelt het Hof van Justitie (HvJ) dat, om een toereikende rechterlijke bescherming te verzekeren, de EU-lidstaten in een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit op basis van de Dublin III-Verordening (bijlage 26quater) moeten voorzien waarbij er rekening gehouden kan worden met gegevens die dateren van na dit besluit.

Feiten en procedurele voorgaanden

Op 22 mei 2017 diende de betrokkene in België een verzoek om internationale bescherming (IB) in. Met toepassing van de Dublin III-Verordening werd Spanje aangeduid als verantwoordelijke lidstaat, en werd aan de betrokkene op 1 augustus 2017 een bijlage 26quater betekend. Hiertegen stelde hij op 25 augustus 2017 een beroep in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) waarin hij onder meer aanvoerde dat zijn broer op 22 augustus 2017 in België was aangekomen en een verzoek om IB had ingediend.

De RvV verwierp dit beroep op 30 november 2017. Deze uitspraak was deels gebaseerd op de vaststelling dat de gegevens betreffende de aankomst van de broer van de betrokkene in België dateerden van na de vaststelling van het overdrachtsbesluit van Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ). Volgens de RvV-beoordeling van de rechtmatigheid van dit besluit kon en moest DVZ deze gegevens niet in rekening nemen.

Op 28 december 2017 stelde de betrokkene een beroep in bij de Raad van State (RvS). Hij voerde een inbreuk op de toegang tot een daadwerkelijk rechtsmiddel aan. De RvS stelde daarop de volgende prejudiciële vraag aan het HvJ: “Moet artikel 27 Dublin III-verordening, zowel afzonderlijk gelezen als in samenhang met artikel 47 Handvest, aldus worden uitgelegd dat het, teneinde het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel te waarborgen, de nationale rechter de verplichting oplegt om in voorkomend geval rekening te houden met gegevens die dateren van na het besluit tot ‘Dublin-overdracht’?”

Analyse HvJ

Het HvJ stelt dat volgens artikel 27, lid 1 Dublin III-verordening een persoon die het voorwerp is van een overdrachtsbesluit het recht heeft om, overeenkomstig artikel 47 Handvest van de grondrechten van de EU, tegen dit besluit bij een rechterlijke instantie een daadwerkelijk rechtsmiddel in te stellen.

Overweging 19 Dublin III-verordening specifieert dat dit rechtsmiddel zowel betrekking dient te hebben op de toepassing van de verordening als op de juridische en feitelijke situatie in de lidstaat waaraan de verzoeker wordt overgedragen.

Hieruit volgt dat artikel 27, lid 1 Dublin III-verordening zo moet worden uitgelegd dat het rechtsmiddel betrekking moet kunnen hebben op:

  • de naleving van de regels waarbij de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een verzoek om IB wordt toegewezen;
  • de in de Dublin III-verordening neergelegde procedurele waarborgen.

Artikel 27 Dublin III-verordening verduidelijkt daarentegen niet of de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit ex nunc onderzocht moet worden.

Het Hof wijst erop dat wanneer Unievoorschriften geen eenduidige interpretatie opleveren, de lidstaten de procedureregels mogen vaststellen rekening houdend met het feit dat:

  • deze niet ongunstiger zijn dan de procedureregels die gelden voor soortgelijke situaties waarop het nationale recht van toepassing is (gelijkwaardigheidsbeginsel);
  • zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).

Dit doeltreffendheidsbeginsel maakt dat een beroep tot nietigverklaring van een overdrachtsbesluit waarbij de aangezochte rechter geen rekening mag houden met omstandigheden die dateren van na de vaststelling van dat besluit en die beslissend zijn voor de juiste toepassing van de Dublin III-verordening, geen toereikende rechterlijke bescherming biedt.

Om te verzekeren dat de betrokkene toereikende rechterlijke bescherming heeft, moet het rechtsmiddel volgens het Hof waarborgen dat:

  • de verzoeker om IB in staat wordt gesteld om zich te beroepen op omstandigheden die dateren van na de vaststelling van het overdrachtsbesluit;
  • de bevoegde autoriteiten van de verzoekende lidstaat hem niet aan een andere lidstaat kunnen overdragen wanneer een omstandigheid die dateert van na het overdrachtsbesluit aan de tenuitvoerlegging van dit besluit in de weg staat;
  • wanneer een omstandigheid die dateert van na het overdrachtsbesluit met zich meebrengt dat de verzoekende lidstaat verantwoordelijk is, de bevoegde autoriteiten van deze lidstaat verplicht zijn de nodige maatregelen te treffen om die verantwoordelijkheid te erkennen.

Artikel 27, lid 1 Dublin III-verordening moet bijgevolg zo gelezen worden dat de verantwoordelijke rechter waarbij een beroep wordt ingediend tegen een overdrachtsbesluit, rekening moet houden met omstandigheden die dateren van na het overdrachtsbesluit en die beslissend kunnen zijn voor de juiste toepassing van de Dublin III-verordening. Dit betekent dat de lidstaten verzoekers om IB moeten toelaten om ook nieuwe elementen aan te voeren in een beroep tegen een Dublin-overdrachtsbesluit.

Wat betekent dit voor de Dublin-beroepsprocedure in België?

Het is momenteel moeilijk om in te schatten of deze uitspraak een concrete wijziging met zich meebrengt voor de Dublin-beroepsprocedure in België.

Ter vergelijking verwijzen we naar uiteenlopende rechtspraak over het al dan niet effectief karakter van de beroepsprocedures tegen een weigering van medische verblijfsmachtiging (artikel 9ter Verblijfswet).

Het Grondwettelijk Hof (GwH) stelde in arrest nr. 186/2019 van 20 november 2019 dat het de RvV niet is toegestaan bij een annulatieberoep, overeenkomstig art. 39/2, §2 Vw, tegen een beslissing tot weigering van een machtiging tot verblijf om medische redenen (9ter-aanvraag), over te gaan tot een onderzoek ex nunc van de situatie van verzoeker. Dit terwijl de RvV een dergelijk onderzoek wél kan voeren voor beroepen in volle rechtsmacht, overeenkomstig art. 39/2, §1 Vw, ingesteld door personen die IB vragen wanneer zij ook een schending van art. 2 en 3 EVRM inroepen. Het GwH oordeelde dat dit geen schending van het gelijkheidsbeginsel impliceert, aangezien de verzoekers wiens 9ter-aanvraag geweigerd is nog over andere, daadwerkelijke beroepsmogelijkheden beschikken. Het GwH stelt dat:

  • wanneer een repatriëring imminent is, kan de verzoeker een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid (UDN) opstarten (art. 39/82, §4, tweede lid Vw);
  • wanneer een repatriëring imminent is en een gewoon schorsingsberoep al was ingediend, kan de verzoeker voorlopige maatregelen vorderen (art. 39/85, §1 Vw).

Nochtans oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) eerder in arrest Josef van 27 februari 2014 dat de procedures voor de RvV geen effectief rechtsmiddel zijn tegen een weigering van verblijf (9ter) en een uitwijzingsbevel, wanneer een repatriëring nog niet gepland is en de vreemdeling schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) inroept. Volgens de bestaande RvV procedures moet je al binnen de normale beroepstermijn een schorsing vragen én later bij een opsluiting nog voorlopige maatregelen in uiterst dringende noodzakelijkheid (UDN) vragen om nog voor de repatriëring een werkelijk onderzoek te krijgen van je middelen op basis van artikel 3 EVRM. Volgens het EHRM is die constructie in de praktijk moeilijk te hanteren en te ingewikkeld om een effectief beroep te zijn.

Voorlopig is het nog onduidelijk welke concrete gevolgen de RvV zal geven aan het Hof van Justitie arrest over de Dublin-beroepsprocedure.

 
Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen