16 december 2019

Om de status van langdurig ingezeten derdelander te bekomen moet de aanvrager over vaste, regelmatige en voldoende inkomsten beschikken. Die moeten echter niet uitsluitend van de aanvrager zijn en kunnen ook inkomsten omvatten die door een derde aan de aanvrager ter beschikking gesteld worden. Dit voor zover ze vast, regelmatig en voldoende zijn. Dat zegt het Hof van Justitie (HvJ) in arrest nr. C-302/18 van 3 oktober 2019, in antwoord op een prejudiciële vraag van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV).

Feiten

Een Kameroense man vroeg eind 2016 de status aan van langdurig ingezeten derdelander. Als bewijs van zijn bestaansmiddelen maakte hij onder meer arbeidscontracten, een aanslagbiljet en loonstroken op naam van zijn broer over. Daarnaast legde hij ook een document voor, ondertekend door zijn broer, waarin die laatste zich ertoe verbond ervoor te zorgen dat de aanvrager voor zichzelf en zijn gezinsleden ten laste, beschikt over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen, om niet ten laste te vallen van de overheden.

De Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) weigerde de aanvraag omdat de aanvrager volgens DVZ eigen inkomsten diende aan te tonen. De aanvrager werkte niet (meer) als werknemer en had zelf geen enkel inkomen. De inkomsten van de broer werden door DVZ dus niet aanvaard.

HvJ

Het begrip ‘inkomsten’ in artikel 5, lid 1, a) van richtlijn 2003/109/EG (richtlijn Langdurig Ingezetenen) is een autonoom begrip van het Unierecht en moet uitgelegd worden in overeenstemming met de bewoordingen van de bepaling, de doelstellingen en de context van de richtlijn.

Op basis van de bewoordingen alleen kan volgens het HvJ niet bepaald worden wat de aard of de herkomst van de inkomsten moet zijn: de verschillende taalversies zijn niet éénduidig.

Vervolgens onderzoekt het HvJ het hoofddoel van de richtlijn: de integratie van onderdanen van derde landen die duurzaam in de lidstaten gevestigd zijn. Uit rechtspraak en overweging zes van de richtlijn blijkt dat uit een legaal en ononderbroken verblijf van vijf jaar volgt dat de betrokkene sterke banden heeft met het land en zich daar duurzaam gevestigd heeft. Vanuit dat oogpunt lijkt de herkomst van de middelen waarover de aanvrager van de status van langdurig ingezetene moet beschikken, geen beslissend criterium voor het HvJ.

Over de context van artikel 5, lid 1, a) richtlijn Langdurig Ingezetenen zegt het HvJ het volgende:

  • De vereiste om vaste, regelmatige en voldoende inkomsten te hebben, is één van de materiële voorwaarden om de status van langdurig ingezetene te bekomen. Gelet op het doel van de richtlijn hebben derdelanders die voldoen aan de voorwaarden recht op de status. Artikel 5, lid 1, a) richtlijn Langdurig Ingezetenen biedt geen ruimte om aanvullende voorwaarden te stellen aan de herkomst van de inkomsten.
  • In artikel 7, lid 1, b) richtlijn 2004/38/EG (Burgerschapsrichtlijn) geldt een vergelijkbare voorwaarde om te beschikken over voldoende bestaansmiddelen om niet ten laste te vallen van de sociale bijstand (het gaat om de zogenaamde ‘EU-beschikker’). Het HvJ oordeelde al dat niet de minste vereiste gesteld kan worden aan de herkomst van deze bestaansmiddelen. Toch heeft deze voorwaarde in de Burgerschapsrichtlijn een andere strekking dan in de richtlijn Langdurig Ingezetenen:
    • Het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene is definitief (terwijl een EU-beschikker de eerste vijf jaar een voorwaardelijk verblijf heeft).
    • Één van de doelstellingen van de richtlijn Langdurig Ingezetenen is het in standhouden van het stelsel van sociale bijstand van de gastlidstaat.
    • Uit de richtlijn Langdurig Ingezetenen volgt dat lidstaten bij de beoordeling van de inkomsten rekening mogen houden met het niveau van het minimumloon en minimumpensioen (in tegenstelling tot de Burgerschapsrichtlijn).
    • In tegenstelling tot de Burgerschapsrichtlijn, moeten de middelen in de richtlijn Langdurig Ingezetenen niet alleen ‘voldoende’ zijn, maar ook ‘vast’ en ‘regelmatig’. (Opmerking: artikel 40bis §4, tweede lid Verblijfswet stelt verkeerdelijk dat bij de evaluatie van de bestaansmiddelen van een EU-beschikker rekening gehouden wordt met de aard en de regelmaat van diens inkomsten)
  • Ook in artikel 7, lid 1, c) richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn) komt de voorwaarde voor dat men moet beschikken over ‘stabiele en regelmatige inkomsten’ die volstaan om zich te onderhouden. Uit rechtspraak van het HvJ volgt dat niet de herkomst van deze inkomsten beslissend is, maar wel de stabiliteit en het toereikend karakter ervan, rekening houdend met de individuele situatie van de betrokkene.

Uit dit alles (bewoordingen, doelstellingen en context) leidt het HvJ af dat de ‘herkomst’ van de inkomsten in artikel 5, lid 1, a) richtlijn Langdurig Ingezetenen, géén beslissend criterium is bij de toets of zij vast, regelmatig en voldoende zijn. Wel moet de lidstaat:

  • de individuele situatie van de aanvrager in haar geheel concreet analyseren
  • onderbouwen of zijn inkomsten al dan niet voldoende zijn en een zekere bestendigheid en continuïteit vertonen, om niet ten laste te vallen van het gastland

Inkomsten die afkomstig zijn van een derde of familielid van de aanvrager zijn dus niet uitgesloten, als zij vast, regelmatig en voldoende zijn. Om dat laatste te beoordelen vindt het HvJ onder meer de volgende elementen relevant:

  • de familieband tussen de aanvrager van de status en de verwant of verwanten die bereid zijn hem ten laste te nemen
  • de aard en de bestendigheid van de inkomsten van de verwant of verwanten van de aanvrager
  • het (al dan niet) juridisch bindend karakter van een verbintenis van een derde of een familielid van de verzoeker om de aanvrager ten laste te nemen. In zijn conclusie stelt de advocaat-generaal dat dergelijke verbintenissen meestal niet juridisch afdwingbaar zijn, omdat
    • ze op elk moment herroepen kunnen worden
    • de looptijd en het bedrag van de verbintenis onvoldoende nauwkeurig en concreet zijn

Volgens de advocaat-generaal zijn wel bestendig en continu: alimentatierechten, en inkomsten in het kader van een huwelijksvermogensstelsel. Dit zijn afdwingbare schuldvorderingen, zodat de lidstaten redelijkerwijs kunnen uitsluiten dat de aanvrager een last wordt voor de sociale bijstand (Conclusie adv-gen bij HvJ 3 oktober 2019, nr. C-302/18, X/ Belgische staat, §§ 72-79).