5 augustus 2020

Om te bepalen of er een recht is op gezinshereniging als minderjarige, geldt voor het vaststellen van de minderjarigheid de datum waarop het verzoek is ingediend, en niet de datum waarop de bevoegde instanties over dit verzoek beslissen. Dat stelt het Hof van Justitie (HvJ) in een arrest van 16 juli 2020 (HvJ 16 juli 2020, C-133/19, C-136/19 en C-137/19). Dit heeft tot gevolg dat ook een beroep tegen de weigering tot gezinshereniging van een minderjarig kind niet onontvankelijk verklaard mag worden, louter omdat het kind meerderjarig is geworden tijdens de procedure.

Feiten en procedurele voorgaanden

B.M.M., erkend vluchteling in België, diende op 20 maart 2012 een aanvraag gezinshereniging in voor zijn drie minderjarige kinderen bij de Belgische ambassade te Conakry (Guinee) op grond van art. 10ter, §3 Verblijfswet (Vw). Deze aanvragen werden afgewezen op 2 juli 2012.

Op 9 december 2013 diende B.M.M. opnieuw een aanvraag gezinshereniging in namens zijn 3 minderjarige kinderen, bij de Belgische ambassade te Dakar (Senegal). Op 25 april 2014 wezen de instanties deze verblijfsaanvragen af, omdat valse informatie zou gebruikt zijn.

Tegen deze weigeringsbeslissingen werd beroep aangetekend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV). De RvV verklaarde op 31 januari 2018 de beroepen onontvankelijk wegens het ontbreken van een procesbelang. De minderjarige kinderen waren ondertussen meerderjarig geworden en volgens vaste rechtspraak moet het procesbelang bestaan op het tijdstip van het indienen van een beroep en moet dit gedurende de ganse procedure blijven bestaan. De drie kinderen tekenden cassatieberoep aan bij de Raad van State (RvS) die op haar beurt een prejudiciële vraag stelde aan het HvJ.

Motivering

In de eerste plaats spreekt het Hof zich uit over de datum die als uitgangspunt moet worden genomen om te bepalen of een derdelander minderjarig is bij een verzoek tot gezinshereniging. Is dit de datum waarop het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging wordt ingediend of de datum waarop bevoegde (beroeps)instanties van de lidstaat over het verzoek beslissen?

Het HvJ houdt hierbij rekening met volgende overwegingen:

  • De doelstelling van richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn): bevorderen van gezinshereniging en bescherming van minderjarigen.
  • Het recht op eerbiediging van het privéleven of van het familie- en gezinsleven, gelezen in samenhang met de verplichting om de belangen van het kind in aanmerking te nemen, en rekening houdend met het feit dat een kind regelmatig persoonlijke betrekkingen met zijn beide ouders moet kunnen onderhouden, zoals in het Handvest is bepaald.

Indien de datum waarop de bevoegde instantie beslist over het verzoek om gezinshereniging als referentiedatum voor de beoordeling van de leeftijd van de verzoeker zou gehanteerd worden, zou dit niet stroken met de doelstelling van de Gezinsherenigingsrichtlijn, noch met het Handvest, zo oordeelt het HvJ om volgende redenen:

  • De bevoegde nationale autoriteiten en rechterlijke instanties zouden daardoor niet worden aangemoedigd om verzoeken van minderjarigen met voorrang en met de nodige urgentie te behandelen om rekening te houden met hun kwetsbaarheid. Hierdoor kan het recht van deze minderjarigen op gezinshereniging in het gedrang komen.
  • De slaagkansen van het verzoek om gezinshereniging zouden afhankelijk worden van factoren die verband houden met de nationale overheidsinstantie of rechterlijke instanties, namelijk de snelheid die bij de behandeling van het verzoek aan de dag wordt gelegd of waarmee uitspraak wordt gedaan over een beroep tegen een weigeringsbeslissing. Dit zou kunnen leiden tot aanzienlijke verschillen in de behandeling van verzoeken om gezinshereniging tussen de lidstaten en binnen een en dezelfde lidstaat.

Om die redenen oordeelt het Hof dat de datum van indiening van het verzoek tot toegang en verblijf de datum is die gehanteerd moet worden genomen om te bepalen of een gezinslid van een gezinshereniger een minderjarig kind is.

In de tweede plaats stelt het Hof dat een beroep tegen de afwijzing van een verzoek van een minderjarig kind om gezinshereniging, niet onontvankelijk kan worden verklaard op de enkele grond dat het kind tijdens de gerechtelijke procedure meerderjarig is geworden.

Het HvJ hanteert hierbij volgende overwegingen:

  • De nationale rechtsmiddelen die de gezinshereniger en zijn gezinsleden in staat stellen hun recht uit te oefenen om beroep in te stellen tegen beslissingen tot afwijzing van een verzoek om gezinshereniging, moeten doeltreffend en reëel zijn.
  • Een onontvankelijkheidsbeslissing van een dergelijk beroep kan niet worden gebaseerd op de vaststelling dat de betrokken personen geen belang meer heeft bij een beslissing van de aangezochte rechter. Het kan namelijk niet worden uitgesloten dat een derdelander wiens verzoek om gezinshereniging is afgewezen, zelfs nadat hij meerderjarig is geworden nog belang heeft bij een uitspraak ten gronde van de rechter waarbij het beroep tegen deze afwijzing is ingesteld. Dit omdat in bepaalde lidstaten een dergelijke rechterlijke beslissing noodzakelijk is opdat de verzoeker een schadevordering tegen de betrokken lidstaat kan instellen.