15 december 2023

In een zaak van 21 september 2023 (C-151/22) verzocht de Nederlandse Raad van State een prejudiciële beslissing van het Hof. Concreet werd een verduidelijking verzocht van het begrip “politieke overtuiging” onder artikel 10, lid 1 (e) van de kwalificatierichtlijn (richtlijn 2011/95/EU). Het betreft twee Soedanese verzoekers om internationale bescherming (VIB) die zich in Nederland kritisch hadden uitgelaten over de Soedanese overheid.

Ook overtuiging die nog niet negatief in belangstelling heeft gestaan in herkomstland

Het begrip politieke overtuiging houdt in dat de VIB een opvatting, gedachte, of mening heeft die verband houdt met de potentiële actoren van vervolging en hun beleid of methoden. Dit is zo ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.

Het begrip ruim moet worden uitgelegd. Daarnaast mag niet verwacht worden dat deze voor de verzoeker een zekere mate van sterkte heeft, of zelf zo diepgeworteld is dat bij terugkeer naar het herkomstland het uiten ervan niet achterwege zou kunnen gelaten worden om niet de negatieve belangstelling van potentiële actoren van vervolging te wekken. De VIB kan dus een politieke overtuiging hebben ongeacht de sterkte ervan of hoe diepgeworteld deze is. Vereisen dat er sprake is van een kenmerk dat voor de identiteit of morele integriteit van de VIB dermate fundamenteel is, dat van de VIB niet mag worden geëist dit op te geven, is ook een onterechte beperking van de draagwijdte van het begrip politieke overtuiging. Dit laatste heeft namelijk betrekking op de vervolgingsgrond “het behoren tot een bepaalde sociale groep”.

Het Hof concludeert dat een opvatting, gedachte of mening van een verzoeker die nog niet negatief in de belangstelling heeft gestaan van potentiële actoren van vervolging in het herkomst, toch onder het begrip “politieke overtuiging” kan vallen als de verzoeker verklaart die opvatting, gedachte of mening te hebben of te uiten.

Sterkte van overtuiging relevant element voor individuele beoordeling.

Vervolgens boog het Hof zich over de vraag of men in het onderzoek of de vrees van vervolging wegens politieke overtuiging gegrond is, rekening moet houden met de “sterkte” van die overtuiging, en dat deze zo diepgeworteld is bij de verzoeker, dat hij het uiten ervan niet zou kunnen achterwege laten bij terugkeer naar het land van herkomst. Hierbij herinnert het hof aan artikel 4, lid 3 tot en met 5 van de richtlijn waarin handvaten worden gegeven over de beoordeling van de feiten en omstandigheden die van toepassing zijn op elke vervolgingsgrond. In dit kader mag men rekening houden met het feit dat de overtuiging - vanwege de mate waarin deze wordt geuit - de negatieve belangstelling kan wekken in het land van herkomst. Echter kan het niet vereist worden dat de overtuiging zo diepgeworteld is dat hij bij terugkeer naar het land van herkomst het uiten ervan niet achterwege zou kunnen laten.

In het kader van de vraag of iets onder “politieke overtuiging” valt mag dus geen rekening worden gehouden met de mate waarin deze wordt geuit. Deze mate mag bij de beoordeling over de gegrondheid van de vrees van vervolging met betrekking tot de individuele omstandigheden, wel in rekening mag gebracht worden, zonder te vereisen dat deze “diepgeworteld” is.

Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen