22 januari 2019

Laatst gewijzigd in september 2021

Als het familielid van een erkend vluchteling of subsidiair beschermde een aanvraag gezinshereniging indient tijdens het eerste jaar na de toekenning van de beschermingsstatus, is het vrijgesteld van de materiële voorwaarden voor gezinshereniging. Het familielid moet dan niet bewijzen dat de vluchteling of subsidiair beschermde stabiele en voldoende bestaansmiddelen heeft, een ziekteverzekering en een behoorlijke huisvesting.

Zo'n termijn om te genieten van de vrijstelling mag strikt toegepast worden, tenzij de late indiening van de aanvraag gezinshereniging objectief verschoonbaar is op grond van bijzondere omstandigheden. Dat blijkt uit een arrest van het Hof van Justitie (HvJ) van 7 november 2018, nr. C-380/17. Ook de RvV vernietigde al weigeringsbeslissingen van Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ), omdat die niet antwoordde op de ingeroepen overmacht voor de laattijdige indiening (RvV 12 oktober 2018, nr. 210.900), omdat hij geen of niet afdoende rekening hield met de aangevoerde elementen ter verschoning van de laattijdige visumaanvraag (RvV 16 juni 2021, nr. 256.594 en RvV 16 juni 2021, nr. 256.559), of omdat DVZ de bijzondere omstandigheden en verschoonbaarheid niet uit eigen beweging onderzocht, terwijl hij hiervan op de hoogte moest zijn omdat het algemeen gekend was (RvV 12 oktober 2020, nr. 242.087). 

Feiten in de zaak voor het Hof van Justitie

In Nederland diende een subsidiair beschermde een aanvraag gezinshereniging in voor zijn vrouw en minderjarig kind op basis van de gunstige vrijstellingsregels. In Nederland geldt de vrijstelling van voorwaarden alleen tijdens de eerste drie maanden na de toekenning van de beschermingsstatus. Nederland weigerde de aanvraag zonder meer om volgende redenen:

  • de aanvraag werd later dan drie maanden na het verkrijgen van de subsidiaire beschermingsstatus ingediend;
  • de vertraging was niet ‘verschoonbaar’.

Wel werd de mogelijkheid geboden om een nieuwe aanvraag in te dienen op grond van de algemene regels voor gezinshereniging. De Nederlandse rechter stelde daarom een prejudiciële vraag over de gunstige bepalingen voorzien in artikel 12 Gezinsherenigingsrichtlijn. In het bijzonder wou de Nederlandse rechter weten of de Nederlandse regeling, waarbij een verzoek om gezinshereniging geweigerd kan worden om de enige reden dat het niet ingediend is binnen de termijn van drie maanden, wel in overeenstemming is met de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Gezinsherenigingsrichtlijn

Volgens artikel 12 Gezinsherenigingsrichtlijn (EU Richtlijn 2003/86) mogen lidstaten van vluchtelingen en hun familie niet eisen dat ze bij de aanvraag gezinshereniging bewijzen dat de vluchteling over voldoende bestaansmiddelen, huisvesting en een ziekteverzekering beschikt. Maar de lidstaten mogen dit wel eisen wanneer de aanvraag niet (minstens) binnen de drie maanden na de toekenning van de vluchtelingenstatus ingediend wordt. Nederland koos ervoor om de vrijstelling slechts drie maanden toe te staan, zoals minimaal opgelegd door de richtlijn. In België geldt de vrijstelling gedurende één jaar.

Hof van Justitie

Het voorzien voor vluchtelingen van gunstiger voorwaarden voor het recht op gezinshereniging in de Gezinsherenigingsrichtlijn neemt niet weg dat lidstaten de mogelijkheid hebben om het voordeel van die regeling afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de aanvraag binnen een bepaalde termijn ingediend wordt, aldus het HvJ. Lidstaten zijn dan ook vrij om, wanneer zij dit opportuun achten, aanvragen gezinshereniging van vluchtelingen niet op grond van de voorkeursregeling van artikel 12 Gezinsherenigingsrichtlijn te behandelen, maar op grond van de gewone regeling die op aanvragen gezinshereniging van toepassing is, wanneer die aanvragen na (minstens) drie maanden na de toekenning van de vluchtelingenstatus ingediend zijn.

Het doeltreffendheidsbeginsel verzet zich er echter tegen dat een lidstaat een aanvraag gezinshereniging, op basis van de gunstige regeling in artikel 12 Gezinsherenigingsrichtlijn, weigert in situaties waarin de te late indiening op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is.

Wanneer, bij overschrijding van de termijn, in principe wel voldaan moet zijn aan de materiële voorwaarden voor gezinshereniging, moet de lidstaat krachtens artikel 5, lid 5 en artikel 17 Gezinsherenigingsrichtlijn ook rekening houden met individuele elementen zoals:

  • het belang van het minderjarig kind
  • de aard en hechtheid van de gezinsbanden van de betrokken persoon
  • de duur van zijn verblijf in de lidstaat
  • het bestaan van gezinsbanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst

België

In België geniet de familie van erkend vluchtelingen en subsidiair beschermden gedurende één jaar na de toekenning van de status van internationale bescherming van de vrijstelling van de materiële voorwaarden voor gezinshereniging. De Verblijfswet voorziet geen enkele uitzondering voor aanvragen die laattijdig ingediend zijn op grond van bijzondere omstandigheden die objectief verschoonbaar zijn.

Ook wanneer een aanvraag gezinshereniging, na één jaar na de toekenning van de beschermingsstatus, ingediend wordt op basis van de algemene regels (met bewijs van materiële voorwaarden) garandeert de Verblijfswet niet dat terdege rekening gehouden wordt met de individuele elementen van het dossier zoals de artikelen 5, lid 5 en 17 Gezinsherenigingsrichtlijn voorschrijven.

RvV

In arrest nr. 210.900 van 12 oktober 2018 stelde de RvV dat DVZ zijn motiveringsplicht geschonden had door niet te antwoorden op de motieven van overmacht die de verzoeker inriep om alsnog tijdens de 14de maand, dus meer dan één jaar na toekenning van de beschermingsstatus, toepassing te maken van de vrijstellingsvoorwaarden. In casu ging het om de Syrische echtgenote en minderjarige kinderen van een Syriër met subsidiaire bescherming in België. De sociaal assistente die de aanvraag gezinshereniging begeleidde, had het Bureau Visa Gezinshereniging van DVZ vóór het verstrijken van de termijn van vrijstelling per mail gecontacteerd. De hulpverlener wees op de situatie van overmacht waarin de familie zich bevond, waardoor ze de aanvraag onmogelijk tijdig konden indienen. De sociaal assistente vroeg DVZ uitdrukkelijk om toch vrijstelling van de materiële voorwaarden te verlenen, ondanks het feit dat de aanvraag laattijdig ingediend zou worden. Volgende omstandigheden werden aangehaald als motieven van overmacht:

  • IS controleerde het dorp waar de familie woonde en verbood mensen het dorp te verlaten. Mensen die toch probeerden het dorp te verlaten werden vermoord.
  • de gezinshereniger slaagde er niet in om een afspraak te krijgen in Ankara om de aanvraag gezinshereniging in te dienen bij het Belgisch consulaat

DVZ antwoordde dat het geen uitzondering kon toestaan op de algemene regel en termijn van vrijstelling zonder uit te leggen waarom. Volgens de RvV schond DVZ zijn formele motiveringsplicht door niet te motiveren waarom de ingeroepen motieven en omstandigheden er niet konden toe leiden dat de verzoeker alsnog kon genieten van de vrijstelling (na het verstrijken van de termijn van één jaar).

In arrest nr. 242.087 van 12 oktober 2020 achtte de RvV het zorgvuldigheidbeginsel geschonden omdat DVZ de bijzondere omstandigheden en verschoonbaarheid niet uit eigen beweging onderzocht had. Een Congolese echtgenote van een erkend vluchteling in België had iets meer dan 13 maanden na de toekenning van de beschermingsstatus, gezinshereniging gevraagd. DVZ weigerde omdat de referentiepersoon leefloon kreeg en verleende dus geen vrijstelling van de materiële voorwaarden omdat de termijn van één jaar verstreken was. DVZ hield daarbij geen rekening met de langdurige sluiting van Maison Schengen en het feit dat de vrouw pas na het verstrijken van de termijn van één jaar een afspraak kon krijgen in het nieuwe Centre Européen des Visas. Volgens DVZ was er geen overmacht bewezen en had de vrouw de aanvraag (tijdig) moeten indienen in een Belgische ambassade in een ander land. Ook was het volgens DVZ de eigen keuze van de vrouw om pas een afspraak te boeken in het nieuwe Centre Européen des Visas, na het verstrijken van de vrijstellingstermijn van één jaar. Volgens de RvV volgt uit arrest nr. C-380/17 van het HvJ dat DVZ de vrijstellingstermijn van één jaar in artikel 10 Verblijfswet niet op automatische wijze mag toepassen, maar elke bijzondere omstandigheid die een laattijdige aanvraag kan verschonen, moet onderzoeken. DVZ verzwaart de bewijslast van de aanvrager door te eisen dat deze laatste 'overmacht' moet bewijzen: in zijn arrest nr. C-380/17 gebruikt het HvJ immers de minder restrictieve termen 'bijzondere omstandigheden' en 'verschoonbaar'. Ook het feit dat de aanvrager bij het indienen van de aanvraag geen bijzondere omstandigheden ingeroepen had om het laattijdige karakter te verschonen, ontslaat DVZ niet van zijn verplichting om hiermee rekening te houden aangezien de sluiting van Maison Schengen en de daaropvolgende administratieve reorganisatie, algemeen gekend was. In het kader van zijn zorgvuldigheidsplicht had DVZ zelf moeten nagaan of het verstrijken van de vrijstellingstermijn hieraan te wijten was en, indien nodig, de aanvrager hierover moeten bevragen. Tot slot merkt de RvV nog op dat het niet noodzakelijk zo is, omdat de aanvrager zelf zijn afspraak kon boeken in het nieuwe Centre Européen des Visas, dat deze zelf, zonder enige restricties, een datum kon kiezen.

In arrest nr. 256.594 van 16 juni 2021 achtte de RvV artikel 10 § 2, lid 5 Vw geschonden, zoals geïnterpreteerd door het HvJ in de zaak C-380/17. DVZ had niet op afdoende wijze rekening gehouden met alle objectieve elementen die de verzoekster aanvoerde ter verschoning van het feit dat zij en haar kinderen hun visumaanvraag niet ingediend hadden binnen één jaar na de erkenning als vluchteling van de gezinshereniger. De Eritrese echtgenote van een erkend vluchteling in België diende meer dan drie maanden na het verstrijken van de vrijstellingstermijn van één jaar een visumaanvraag gezinshereniging in bij de Belgische ambassade in Ethiopië. De vrouw probeerde echter vóór het verstrijken van de termijn (van een jaar) de aanvraag in te dienen met behulp van het CAW Limburg. Dit werd haar geweigerd door VFS/Belgische ambassade omdat ze geen geldig identiteitsbewijs kon voorleggen. Nochtans had het CAW Limburg op voorhand laten weten aan de Belgische ambassade dat de vrouw als Eritrese vluchteling onmogelijk aan een paspoort kon geraken. Pas na het verstrijken van de vrijstellingstermijn liet de ambassade weten dat de vrouw een Emergency Travel Document (ETD) moest voorleggen in de plaats van een paspoort, iets wat de vrouw pas maanden later kon bekomen. Noch de toenmalige website van de Belgische ambassade, noch de website van DVZ vermeldde dit document als een vereist identiteitsdocument, bij gebreke van een Eritrees paspoort. 

Ook in arrest nr. 256.559 van 16 juni 2021 achtte de RvV artikel 10 § 2, lid 5 Vw, zoals geïnterpreteerd door het HvJ in de zaak C-380/17, geschonden doordat DVZ geen rekening hield met de bijzonder omstandigheden die de laattijdige aanvraag konden verschonen. Een Afghaanse vrouw diende een aanvraag gezinshereniging in voor zichzelf en haar minderjarige kinderen om haar echtgenoot, een erkend vluchteling in België, te vervoegen. De aanvraag werd zeven dagen na het verstrijken van de vrijstellingstermijn ingediend. DVZ weigerde omdat niet voldaan was aan de materiële voorwaarden. Volgens DVZ was er bij de visumaanvraag geen enkele uitleg gegeven die de laattijdige indiening kon verschonen. Nochtans had een hulpverlener, vóór het verstrijken van de termijn van één jaar, VFS en de Belgische ambassade in Pakistan per mail gewezen op de moeilijkheden die het gezin ondervond om officiële documenten te bekomen in Afghanistan gezien de strenge covid-maatregelen die daar toen golden. Ook kaartte de hulpverlener de strenge covid-maatregelen in Pakistan aan, die hadden geleid tot grote vertragingen om een afspraak te bekomen voor een visumaanvraag bij VFS. Hierdoor slaagde de verzoekster er niet in om binnen het jaar een afspraak te krijgen om haar aanvraag in te dienen. De RvV volgt de redenering van DVZ niet dat de verzoekster hem niet (tijdig) op de hoogte gebracht heeft van de verschoningsgronden:

  • De e-mails van de hulpverlener waren gericht aan de outsourcing partner VFS en de Belgische ambassade. Deze instanties zijn door DVZ gemachtigd om de visumaanvraag in ontvangst te nemen en te verwerken. De verzoekster mocht er in redelijkheid op vertrouwen dat haar opmerkingen met betrekking tot de omstandigheden die haar verhinderden de aanvraag voor het verstrijken van de termijn van een jaar in te dienen, gevoegd zouden worden bij haar aanvraag;
  • Het visumaanvraagformulier bevat geen sectie waarbij objectieve verschoningsgronden voor de laattijdige indiening, weergegeven kunnen worden. Er blijkt ook niet dat aan verzoekster een ander document om deze verschoningsgronden weer te geven, overhandigd werd, of dat zij op enige wijze uitgenodigd werd om deze weer te geven;

Bijgevolg concludeert de RvV dat de verzoekster de bevoegde diensten afdoende ingelicht had over haar verschoningsgronden. Dit geldt des te meer, aldus de RvV, nu DVZ via zijn website en een overleg met het federaal Migratiecentrum Myria communiceerde dat hij rekening zou houden met de moeilijkheden en vertragingen veroorzaakt door de (wereldwijde) corona-maatregelen.