8 november 2021

Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) kan een aanvraag gezinshereniging van een derdelands familielid van een Unieburger die gebruik maakte van het vrij verkeer niet ‘onbestaande’ verklaren of weigeren omwille van een eerder inreisverbod dat aan deze derdelander opgelegd werd in toepassing van artikel 74/11 Verblijfswet (Vw). Ook niet wanneer er géén onderlinge afhankelijkheid blijkt te bestaan tussen het familielid en de Unieburger, waardoor de Unieburger niet gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten. De K.A.-rechtspraak van het Hof van Justitie (HvJ) is immers alleen van toepassing op derdelands familie van statische Unieburgers, niet op familie van niet-statische Unieburgers die gebruik maken van hun vrij verkeer. De gezinshereniging tussen ‘vrij verkeer’ Unieburgers en hun familie kan alleen beperkt worden om redenen van openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid, bij gebruik van valse documenten of bij fraude. Ook een inreisverbod dat opgelegd kan worden aan Unieburgers en hun familie in de zin van de artikelen 44nonies en 44decies Vw, kan uitsluitend steunen op redenen van openbare orde en openbare veiligheid. Dat vat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) samen in een arrest van 6 september 2021 (nr. 260.227).

Feiten

Een Afghaanse man in onwettig verblijf krijgt een inreisverbod van drie jaar opgelegd op grond van artikel 74/11 Vw. Nadien trouwt hij met een Nederlandse vrouw die in België verblijft in het kader van het vrij personenverkeer. De man vraagt gezinshereniging met zijn Nederlandse echtgenote en krijgt van de gemeente een bijlage 19ter en na zes maanden een F kaart. Een paar weken later krijgt de man een beslissing van DVZ waarbij de bijlage 19ter als ‘onbestaande’ beschouwd wordt. Op instructie van DVZ trekt de gemeente de afgeleverde F kaart weer in. DVZ baseert zijn beslissing op volgende gronden:

  • Een verblijfsrecht als familielid van een Unieburger vereist niet alleen dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 40bis Vw, maar veronderstelt ook een recht op binnenkomst. Gezien de man onder een niet-verstreken inreisverbod staat heeft hij géén recht op binnenkomst.
  • Het opgelegde inreisverbod bestaat en is van kracht ook al begint de termijn ervan pas te lopen vanaf de datum waarop de betrokkene het Schengengrondgebied verlaat. In casu heeft betrokkene België nooit verlaten.
  • De man heeft géén elementen aangebracht waaruit zou blijken dat er tussen hem en zijn Nederlandse echtgenote een dusdanige afhankelijkheidsrelatie bestaat waardoor hij recht zou hebben op een afgeleid verblijfsrecht. Bijgevolg kan de man België tijdelijk verlaten om de opheffing of opschorting van het inreisverbod te bekomen, zonder dat zijn Nederlandse echtgenote gedwongen is hem te vergezellen en het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten. Hiermee verwijst DVZ impliciet naar het K.A.-arrest van het HvJ (HvJ 8 mei 2018, C-82/16, K.A. e.a. t. België) dat we bespraken in dit nieuwsbericht.

Terugkeerrichtlijn vs. Burgerschapsrichtlijn

De RvV stelt vast dat DVZ de aanvraag gezinshereniging weigert in aanmerking te nemen omwille van een inreisverbod dat aan de verzoeker opgelegd werd vóór hij huwde met zijn Nederlandse vrouw. Dat inreisverbod is gebaseerd op artikel 74/11 Vw, hetgeen een omzetting vormt van artikel 11 richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn). Krachtens artikel 2, punt 3 van de Terugkeerrichtlijn is de richtlijn echter uitdrukkelijk niet van toepassing op “personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen in de zin van artikel 2, punt 5, van de Schengengrenscode”. Artikel 2 punt 5 van de Schengengrenscode omschrijft ‘personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen’ op zijn beurt als:

  • Unieburgers in de zin van artikel 20, lid 1 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en
  • de in Richtlijn 2004/38/EG (Burgerschapsrichtlijn ) bedoelde onderdanen van derde landen die familielid zijn van een burger van de Unie die zijn recht van vrij verkeer uitoefent

Volgens de RvV moet de verzoeker sinds zijn huwelijk met zijn Nederlandse echtgenote beschouwd worden als een derdelands familielid van een Unieburger die gebruik maakte van het vrij verkeer en dus niet langer als een derdelander bedoeld in de Terugkeerrichtlijn. De familie van Unieburgers, zoals omschreven in de Burgerschapsrichtlijn waarvan artikel 40bis Vw de omzetting vormt, hebben een recht op binnenkomst en verblijf in de gastlidstaat onder in de Burgerschapsrichtlijn bepaalde voorwaarden. Uit artikel 43 Vw volgt dat het recht op binnenkomst en verblijf van familie van Unieburgers, vermeld in artikel 40bis Vw, alléén beperkt kan worden in de volgende gevallen:

  • wanneer ze valse informatie of documenten gebruikt hebben die bijgedragen hebben tot het verkrijgen van het verblijf
  • wanneer ze fraude gepleegd hebben of andere onwettige middelen gebruikt hebben
  • om redenen van openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid. Het begrip ‘openbare orde’ moet restrictief uitgelegd worden vermits het een uitzondering vormt op het fundamenteel beginsel van het vrij personenverkeer. De draagwijdte van dit begrip kan niet éénzijdig door de lidstaten bepaald worden. Ook veronderstelt dit het bestaan van een werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.

Het niet in aanmerking nemen van een aanvraag gezinshereniging van een familielid van een Unieburger moet volgens de RvV beschouwd worden als een beperking van het vrij verkeer van de Unieburger en zijn familielid. Uit de beslissing blijkt niet dat DVZ nagegaan is of de verzoeker valt onder één van de weigeringsgronden in artikel 43 Vw. Het inreisverbod van drie jaar waarop DVZ zich baseert om de aanvraag niet in aanmerking te nemen, steunt niet op enig element van openbare orde. DVZ beweert niet dat betrokkene een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Het inreisverbod kan evenmin beschouwd worden als een inreisverbod in de zin van de artikelen 44nonies en 44decies Vw die een omzetting vormen van artikel 32 Burgerschapsrichtlijn. Aan een familielid van een Unieburger kan immers uitsluitend een inreisverbod opgelegd worden om redenen van openbare orde en openbare veiligheid, wat hier niet het geval is.

De RvV concludeert dat DVZ artikel 21 VWEU en de Burgerschapsrichtlijn schendt door een aanvraag gezinshereniging niet in aanmerking te nemen omwille van:

  • een inreisverbod dat in het verleden opgelegd werd aan een derdelander, die thans familielid is van een Unieburger die gebruik maakte van het vrij verkeer én
  • dit inreisverbod niet steunt op (actuele, werkelijke en voldoende ernstige) redenen van openbare orde.

Tot slot wijst de RvV erop dat het arrest K.A. waarnaar DVZ impliciet verwijst in zijn beslissing niet aan de orde is nu deze rechtspraak betrekking heeft op familie van statische Belgen, hetgeen een andere situatie is. Het al dan niet bestaan van een onderlinge afhankelijkheid tussen de Unieburger en zijn familielid is hier dus niet relevant.