4 april 2014

Geactualiseerd in december 2019

Kan een vreemdeling die een uitwijzingsbevel met inreisverbod kreeg nog een verblijfsaanvraag indienen? Kan Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) een aanvraag gezinshereniging of een 9bis-aanvraag "niet in aanmerking of in overweging nemen" (automatisch weigeren) wanneer de aanvrager het voorwerp uitmaakt van een geldig inreisverbod? De Belgische rechtspraak is verdeeld over de vraag of een niet-verstreken inreisverbod een belemmering vormt om een aanvraag gezinshereniging in te dienen. Het Europese Hof van Justitie (HvJ) zet in verschillende arresten enkele lijnen uit:

  • HvJ arrest C-82/16 K.A. tegen Belgie van 8 mei 2018 antwoordt op prejudiciele vragen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV). We bespreken dit arrest in een apart nieuwsbericht. Onderaan dit bericht vind je een link.
  • HvJ arrest C-225/16 Ouhrami van 26 juli 2017 verduidelijkte eerder al de draagwijdte van een inreisverbod, opgelegd in uitvoering van de Terugkeerrichtlijn. Volgens dat arrest gaat de looptijd van een inreisverbod pas in vanaf de datum waarop de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten daadwerkelijk verlaten heeft. Aangezien een inreisverbod volgens het Hof niet in werking kan treden bij blijvende aanwezigheid op het Belgisch grondgebied kan DVZ een niet-uitgevoerd BGV met inreisverbod nog moeilijk inroepen als motief om een latere verblijfsaanvraag niet in aanmerking te nemen of ten gronde te weigeren.

Hierna bespreken we eerst de Belgische praktijk en rechtspraak en vervolgens de Europese rechtspraak van het HvJ. De Belgische praktijk moet zich aan de HvJ arresten aanpassen.

Gezinshereniging

Praktijk DVZ:

  • Sinds 2014 vormt een geldig inreisverbod volgens DVZ een obstakel om een aanvraag gezinshereniging in te dienen. De aanvrager moet volgens DVZ eerst gevolg geven aan het BGV en kan pas nadien, vanuit het herkomstland, gezinshereniging aanvragen. Sinds eind 2018 of 2019 zou DVZ aanvragen gezinshereniging met een Belg of Unieburger na inreisverbod nog wel vaak weigeren, maar dan met een gemotiveerde beslissing ten gronde (bijlage 20) waartegen een (schorsend) beroep openstaat.
  • De aanvraag gezinshereniging die ingediend wordt bij de Belgische post in het buitenland, geldt voor DVZ als een impliciete aanvraag tot opheffing van het inreisverbod. De opheffing hoeft dus niet expliciet gevraagd te worden in een apart schrijven. Als de aanvrager voldoet aan de voorwaarden voor gezinshereniging zal DVZ naar eigen zeggen het visum afleveren, ongeacht of de duurtijd van het inreisverbod verstreken is (Bron: overleg AgII met DVZ van 28-04-2016).

RvV:

  • De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vernietigt in tal van arresten de beslissingen waarmee DVZ de verblijfsaanvraag van familie van een Unieburger of van een Belg "niet in aanmerking" neemt met als motivering dat de persoon een inreisverbod heeft. DVZ moet de gezinshereniging ten gronde onderzoeken als de identiteit en gezinsband aangetoond is. DVZ kan alleen gemotiveerd weigeren wanneer de wettelijke voorwaarden voor gezinshereniging niet voldaan zijn, of wanneer er fraude of misbruik is of een ernstige en actuele bedreiging van de openbare orde is (zie o.m. RvV 2 april 2015, nr. 142.682; RvV 26 februari 2015, nr. 139.567 en RvV 19 december 2014, nr. 135.627).
  • Op 8 februari 2016 stelde de RvV een aantal prejudiciële vragen over deze kwestie aan het Hof van Justitie (RvV 8 februari 2016, nr. 161.497). Volgens het HvJ verzet artikel 20 van het Verdrag met betrekking tot de werking van de EU (VWEU) zich tegen de praktijk van een lidstaat, waarbij het een aanvraag gezinshereniging van een derdelands familielid van een eigen onderdaan, die nooit zijn recht op vrij verkeer uitgeoefend heeft, niet in aanmerking neemt om de enige reden dat tegen de derdelander een inreisverbod uitgevaardigd is (HvJ 8 mei 2018, C-82/16, K.A. e.a. t. België).

RvS:

  • In verschillende arresten bevestigt de Raad van State het standpunt van de RvV dat beslissingen van DVZ, waarbij de aanvraag gezinshereniging niet in overweging of in aanmerking genomen wordt omwille van een bestaand inreisverbod, onwettig zijn (RvS 13 december 2016, nr. 236.752; RvS 9 augustus 2016, nr. 235.598; RvS 9 augustus 2016, nr. 235.596 en RvS 12 mei 2016, nr. 234.719). In één arrest oordeelde de RvS wel dat een inreisverbod een wettige reden vormt om een aanvraag gezinshereniging ten gronde te weigeren omdat het genot van een verblijfsrecht in België ook een recht op binnenkomst vereist. Dat laatste veronderstelt een afwezigheid van inreisverbod. Om die reden volstaat een geldend inreisverbod als enige reden om een aanvraag gezinshereniging ten gronde te weigeren, aldus de Raad van State (RvS 9 augustus 2016, nr. 235.596). Deze zienswijze is duidelijk in strijd met de rechtspraak van het Hof van Justitie in de zaak K.A. t. België (zie hierboven).

Regularisatie

De humanitaire regularisatieprocedure (artikel 9bis Vw) is een uitzonderingsprocedure in België:

  • DVZ stelt sinds 2014 dat een derdelander die een inreisverbod kreeg opgelegd en een humanitaire regularisatie wil aanvragen, voorafgaandelijk de opheffing of opschorting van dit inreisverbod moet aanvragen en bekomen via de Belgische ambassade. Een regularisatieaanvraag die in België wordt ingediend door een persoon met een niet-opgeheven of opgeschort inreisverbod wordt door de DVZ sinds 2014 "niet in overweging" genomen (met verwijzing naar artikel 74/12, §4 Vw), of wordt door DVZ onontvankelijk of ongegrond verklaard (met diverse argumenten).
  • Wat is de wettelijke basis om een 9bis aanvraag niet in overweging te nemen omwille van een lopend inreisverbod? DVZ verwijst naar artikel 74/12, §4 Vw. Maar dat artikel zegt alleen dat een derdelander geen recht op toegang of verblijf heeft tijdens een onderzoek tot opheffing of opschorting van een inreisverbod. Artikel 9bis kan aangevraagd worden ook vanuit een onwettig verblijf; artikel 74/12, §4 Vw is dus geen wettelijk beletsel voor een aanvraag artikel 9bis.

Ouhrami-arrest

In het Ouhrami-arrest oordeelde het Hof van Justitie dat een inreisverbod een middel vormt om de doeltreffendheid van het terugkeerbeleid van de Unie te vergroten, door te waarborgen dat gedurende een bepaalde periode na de verwijdering van een illegaal verblijvende derdelander, deze persoon niet legaal zal kunnen terugkomen op het grondgebied van de lidstaten. Uit de bewoordingen, de opzet en het doel van richtlijn 2008/115 vloeit voort dat het tijdvak van het inreisverbod pas ingaat vanaf de datum waarop de betrokkene het grondgebied van de lidstaten daadwerkelijk verlaten heeft (HvJ 26 juli 2017, C-225/16, Ouhrami). Lees onze volledige bespreking van het arrest in ons nieuwsbericht van 12 september 2017. Aangezien een inreisverbod pas uitwerking heeft vanaf het moment dat betrokkene het grondgebied van de lidstaten verlaat, valt moeilijk in te zien hoe DVZ nog kan steunen op een niet-uitgevoerd BGV met inreisverbod om een latere verblijfsaanvraag, die bij blijvende aanwezigheid ingediend wordt, af te wijzen. Voorlopig lijkt DVZ zijn standpunt dat een inreisverbod bij blijvende aanwezigheid in België een beletsel vormt om een latere verblijfsaanvraag in te dienen, niet te willen wijzigen.

Ouhrami en regularisatie

Vóór het Ouhrami-arrest werden beroepen tegen een zonder voorwerp verklaring of een onontvankelijkheidsverklaring van een 9bis aanvraag wegens eerder opgelegd (en niet opgeheven of geschorst) inreisverbod verworpen wegens gebrek aan belang (RvS nr. 218.401, 9 maart 2012; RvS nr. 235.344, 5 juli 2016; RvS nr. 235.719, 5 september 2016; RvV nr. 185030, 31 maart 2017). 

Sinds Ouhrami vernietigt de RvV zonder voorwerp verklaringen van 9bis aanvragen wegens eerder opgelegd (en niet opgeheven of geschorst) inreisverbod. Het inreisverbod gaat pas in op het moment dat betrokkene het grondgebied verlaat en een 9bis aanvraag kan worden ingediend vanuit onwettig verblijf (RvV nr. 194066, 23 oktober 2017; RvV nr. 195142, 16 november 2017; RvV nr. 197804, 11 januari 2018). Deze RvV rechtspraak werd bevestigd door RvS arrest nr. 240394 van 11 januari 2018.

In een ander arrest (RvS nr. 245.654, 7 oktober 2019) is de RvS echter van oordeel dat het toegelaten is om 9bis-aanvragen niet in aanmerking te nemen wegens het bestaan van een inreisverbod. De RvS baseert zich daarvoor op het arrest K.A. van het HvJ (zie hierboven). Volgens de RvS is het HvJ in dat arrest van oordeel dat de Terugkeerrichtlijn zich niet verzet tegen een nationale praktijk waarbij een gezinsherenigingsaanvraag van een derdelands familielid van een statische Unieburger, niet in aanmerking genomen wordt wegens een bestaand inreisverbod. Bijgevolg is het volgens de RvS onder de Terugkeerrichtlijn toegelaten om een 9bis-aanvraag om die reden niet in overweging te nemen.

De redenering van de RvS noopt tot enkele bedenkingen:

  • In het arrest K.A. stelde het HvJ vast dat de Terugkeerrichtlijn zich uitspreekt over verblijfsaanvragen na een inreisverbod. Bijgevolg kan de Terugkeerrichtlijn zich ook niet verzetten tegen een nationale praktijk waarbij een verblijfsaanvraag niet in aanmerking genomen wordt, omwille van een eerder opgelegd inreisverbod.
  • De Terugkeerrichtlijn verzet zich volgens het HvJ in K.A. wél tegen een nationale praktijk waarbij:
    • na afgifte van een eerste terugkeerbesluit en inreisverbod
    • een tweede terugkeerbesluit wordt afgeleverd waarin géén rekening gehouden wordt met nieuwe elementen aangaande het gezinsleven die niet eerder ingeroepen konden worden, en die bijvoorbeeld aangehaald werden in een nieuwe verblijfsaanvraag (zoals een 9bis-aanvraag). Om die reden is een tweede BGV, dat afgeleverd wordt samen met de beslissing om de 9bis-aanvraag niet in overweging te nemen (omwille van een bestaand inreisverbod), mogelijk in strijd met de Terugkeerrichtlijn.
  • In K.A. spreekt het HvJ zich niet uit over de uitwerking van inreisverboden. Het HvJ deed dat wel in het Ouhrami-arrest. In haar conclusie bij het arrest K.A. stelt advocaat-generaal Sharpston dat de Belgische Verblijfswet niet in overeenstemming is met het Ouhrami-arrest door te bepalen dat het inreisverbod al uitwerking heeft vanaf de datum van betekening. Aangezien een inreisverbod volgens het Ouhrami-arrest pas uitwerking heeft vanaf het moment dat betrokkene het grondgebied van de Schengenlidstaten verlaat, valt moeilijk in te zien hoe DVZ nog kan steunen op een niet-uitgevoerd BGV met inreisverbod om een latere verblijfsaanvraag, die bij blijvende aanwezigheid ingediend wordt, af te wijzen.