14 maart 2014

In een vonnis van 6 maart 2014 nam de Arbeidsrechtbank Antwerpen de instructies van Fedasil van 15-10-2013 en het arrest Cimade en Gisti (C-179/11) van het Hof van Justitie van 27 september 2012 onder de loep. De rechter concludeerde dat Fedasil haar verplichtingen te eng interpreteert wanneer een asielaanvraag geweigerd wordt omdat een ander land bevoegd is. Fedasil moet opvang verlenen tot aan de effectieve transfer naar het land dat verantwoordelijk is voor behandeling van de asielaanvraag.

Een 36-jarige man uit Syrië werd samen met zijn 6-jarig dochtertje opgevangen in een federaal centrum, tot een bijlage 26quater een einde maakte aan die opvang. DVZ was immers van mening dat Hongarije bevoegd was voor het onderzoek van de asielaanvraag en leverde ook een uitwijzingsbevel (BGV) af. Het centrum zette meneer en zijn kind op straat, ondanks een aanvraag tot verlenging die tijdig bij Fedasil werd ingediend.

De instructies van Fedasil bepalen dat er sprake is van een effectieve transfer als de betrokkene in het bezit is gesteld van de nodige vervoersbewijzen en een doorlaatbewijs. Een verlenging is volgens Fedasil maar mogelijk als dit om redenen buiten de wil van de asielzoeker niet gelukt is binnen de termijn van het uitwijzingsbevel.

De man vroeg daarop steun aan het OCMW op basis van art. 60 Opvangwet en het KB van 24-07-2004 voor onwettig verblijvende gezinnen met kinderen. Ook hier werd hij geweigerd, volgens Fedasil omdat het volstond om zich in Hongarije aan te bieden om materiële opvang te kunnen genieten.

De Arbeidsrechtbank oordeelde dat Fedasil wel degelijk verplicht is om opvang te verlenen tot aan de effectieve transfer en dat het Agentschap een te enge interpretatie geeft aan haar verplichtingen:

  • Alleen een effectieve overdracht van de asielzoeker stelt een einde aan de verantwoordelijkheid van de verzoekende staat om minimale opvangvoorzieningen te verstrekken. Volgens de rechter voldoet de Dublinbeslissing niet aan de voorwaarden van artikel 19 van de Dublinverordening (Dublin II) omdat er niet op wordt vermeld binnen welke termijn de overdracht zal plaatsvinden en waar en wanneer de asielzoeker zich moet aanmelden indien hij zelfstandig zou terugkeren. Meneer werd ook niet in het bezit gesteld van een doorlaatbewijs, zoals het zou moeten volgens artikel 19 van Dublin II. De rechter nam ook in overweging dat meneer tijdig een schorsings- en annulatieberoep tegen deze beslissing had ingediend bij de RVV, dat nog niet behandeld werd.
  • Fedasil wordt ook op de vingers getikt omdat ze pas nadat meneer het opvangcentrum al verlaten had antwoordden op de aanvraag tot verlenging. Volgens de Arbeidsrechtbank hadden de man en zijn dochter wel degelijk recht op een verlenging omwille van humanitaire redenen (artikel 7§3 Opvangwet).
  • Tot slot bevestigde de Arbeidsrechtbank dat zij minstens ook recht hadden op materiële opvang onder artikel 60 Opvangwet en het KB van 24-07-2004. Fedasil mag dit recht niet beperken of voorwaarden toevoegen. Door te eisen dat betrokkene het land verlaat, voegt Fedasil een extra voorwaarde toe aan de wet, wat niet toegelaten is.
  • Fedasil werd veroordeeld tot het toewijzen van een opvangstructuur aan meneer en zijn dochtertje.

De Arbeidsrechtbank Antwerpen volgt hiermee eerdere rechtspraak van het Arbeidshof te Brussel.

 

Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen