13 september 2019

In arrest nr. 221.504 van 21 mei 2019 oordeelde de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) dat de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) niet op wettige wijze een inreisverbod kan opleggen wegens het niet uitvoeren van een eerder afgeleverd uitwijzingsbevel zolang de termijn voor vrijwillig vertrek die voorzien was in dat uitwijzingsbevel niet verstreken is.

Omdat het indienen van een nieuwe verblijfsaanvraag de termijn voor vrijwillig vertrek schorst tot op het moment dat die verblijfsaanvraag wordt geweigerd, kan DVZ pas overgaan tot het opleggen van een inreisverbod nadat de termijn voor vrijwillig vertrek die door de weigering van de nieuwe verblijfsaanvraag opnieuw is beginnen lopen, verstreken is.

Feiten

Na een eerste in 2016 afgewezen gezinsherenigingsaanvraag als ‘ander familielid’ van een Unieburger diende een Guineese man een tweede gezinsherenigingsaanvraag in die opnieuw werd afgewezen. De weigeringsbeslissing werd hem samen met een uitwijzingsbevel met een termijn van dertig dagen betekend op 8 februari 2018.

Diezelfde dag diende de man een derde gezinsherenigingsaanvraag in. Ook deze aanvraag werd op 23 mei 2018 geweigerd waarna betrokkene op 19 juni 2018 een bevel om het grondgebied te verlaten (BGV) met vasthouding met het oog op verwijdering (bijlage 13septies) en een inreisverbod (bijlage 13sexies) van drie jaar betekend kreeg. Het inreisverbod was gemotiveerd op grond van het feit dat betrokkene geen gevolg had gegeven aan een eerder bevel.

Het beroep bij uiterst dringende noodzakelijkheid tegen de bijlage 13septies werd door de Raad van Vreemdelingenbetwistingen (RvV) verworpen.

De man stelde een annulatie- en schorsingsberoep in tegen het inreisverbod wegens een vermeende schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.

RvV

Volgens de RvV heeft DVZ door het opleggen van een inreisverbod wegens het niet naleven van een eerder afgeleverd uitwijzingsbevel het zorgvuldigheidsbeginsel in het licht van artikel 74/11, §1, 2° van de Verblijfswet (Vw) geschonden.

Het zorgvuldigheidsbeginsel verplicht DVZ om haar beslissingen op een zorgvuldige manier voor te bereiden en te baseren op een correcte feitenvinding. DVZ moet bij het nemen van een beslissing steunen op alle gegevens en dienstige stukken van het dossier.  

Hoewel artikel 74/11, §1, lid 2, 2° Vw voorziet dat een inreisverbod van maximum drie jaar wordt opgelegd wanneer geen gevolg werd gegeven aan een eerder opgelegd uitwijzingsbevel, moet DVZ ook rekening houden met artikel 1/3, lid 2 Vw.

Dat artikel bepaalt:

  • dat het indienen van een verblijfsaanvraag of een verzoek om internationale of tijdelijke bescherming het bestaan van een uitwijzingsmaatregel niet aantast, maar
  • dat de uitvoerbaarheid van een uitwijzingsbevel wordt opgeschorst wanneer de betrokken vreemdeling daarop een verblijfsaanvraag indient op basis waarvan hij voorlopig op het grondgebied mag verblijven in afwachting van een beslissing over deze verblijfsaanvraag.

Dit betekent dat in dergelijk geval:

  • het BGV niet uit het rechtsverkeer verdwijnt
  • de termijn voor vrijwillig vertrek bepaald in het BGV geschorst wordt door het indienen van een verblijfsaanvraag waarvoor de verblijfsreglementering voorziet dat de betrokkene  in afwachting van een beslissing erover voorlopig op het grondgebied mag verblijven.

Concreet gaat het om alle verblijfsprocedures in het kader waarvan een attest van immatriculatie wordt afgegeven tijdens de procedure.

In het geval de verblijfsaanvraag wordt geweigerd, wordt het uitwijzingsbevel opnieuw uitvoerbaar en begint de termijn voor vrijwillig vertrek opnieuw te lopen vanaf de datum van de weigeringsbeslissing en moet betrokkene er gevolg aan geven.   

Dit blijkt uit de tekst van artikel 6.4 Terugkeerrichtlijn waarvan artikel 1/3 Vw een omzetting is en dat bepaalt dat een eerder afgeleverd terugkeerbesluit wordt opgeschort voor de duur van de geldigheid van de verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot legaal verblijf. 

In deze zaak was de uitvoerbaarheid van het BGV opgeschort tot en met 23 mei 2018, datum van de weigeringsbeslissing gezinshereniging. Het is pas vanaf deze datum dat de termijn voor vrijwillig vertrek opnieuw begint te lopen. De termijn van 30 dagen voor vrijwillig vertrek bepaald in het BGV van 23 mei 2018 liep dus nog op het moment dat DVZ de beslissing nam om een inreisverbod op te leggen. DVZ kon daarom niet op wettige wijze een inreisverbod opleggen terwijl de termijn voor vrijwillig vertrek niet verstreken was, en bijgevolg vernietigde de RvV het inreisverbod.