5 november 2019

In zijn arrest nr. 222.975 van 20 juni 2019 vernietigde de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) een inreisverbod. De Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) had bij de bepaling van de duur ervan geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de betrokkene minderjarig was op het moment dat DVZ twee eerdere uitwijzingsbevelen had genomen. Onwettig verblijf tijdens de minderjarigheid kan de betrokkene niet aangerekend worden.

Feiten

In 2014 verklaarde DVZ een eerste 9ter aanvraag van een Marokkaanse minderjarige ongegrond. Deze beslissing ging gepaard met een bevel tot terugbrenging (bijlage 38) aan zijn wettelijk vertegenwoordiger. De beroepen tegen deze beslissingen werden door de RvV verworpen.

DVZ verklaarde een tweede 9ter aanvraag op 30 juni 2016 onontvankelijk en leverde aan de voogd van betrokkene een bijlage 38 af. Tegen beide beslissingen werd beroep bij de RvV ingesteld. De RvV vernietigde de onontvankelijkverklaring maar verwierp het beroep tegen de bijlage 38. Het cassatieberoep tegen dit RV-arrest werd door de Raad van State (RvS) verworpen.

DVZ verklaarde op 8 augustus 2018 de tweede 9ter aanvraag opnieuw onontvankelijk. Het beroep tegen deze beslissing werd op 28 augustus 2019 door de RvV verworpen.

Op 20 december 2018 werd aan betrokkene die ondertussen meerderjarig was een bevel om het grondgebied te verlaten (BGV) betekend zonder termijn voor vrijwillig vertrek wegens een vermeend risico op onderduiken. Hij kreeg ook een inreisverbod van drie jaar.

Het risico op onderduiken bleek volgens DVZ uit het feit dat betrokkene meerdere verblijfsaanvragen had ingediend die aanleiding hebben gegeven tot een negatieve beslissing.

Een inreisverbod met een duur van drie jaar was volgens DVZ gerechtvaardigd op grond van drie verschillende redenen:

  • het potentiële gevaar dat betrokkene vormt voor de openbare orde wegens betrapping op heterdaad van een gewelddadige woningbraak met diefstal
  • zijn onwettig verblijf
  • het belang van de immigratiecontrole

Betrokkene stelde tegen beide beslissingen een annulatie- en schorsingsberoep in bij de RvV.

RvV

De RvV oordeelde in het kader van het beroep tegen het inreisverbod dat DVZ de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden heeft bij het opleggen van het inreisverbod van drie jaar.

  • Het respect voor de materiële motiveringsplicht houdt in dat DVZ bij de beoordeling van de aanvraag moet uitgaan van de juiste feitelijke gegevens, die correct moet beoordelen, en op grond daarvan in redelijkheid tot een besluit moet komen.
  • Het respect voor het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat DVZ bij het nemen van een beslissing moet steunen op alle gegevens van het dossier en op alle daarin vervatte dienstige stukken.

De Verblijfswet bepaalt dat:

  • een inreisverbod wordt opgelegd als in het uitwijzingsbevel geen enkele termijn voor vrijwillig vertrek is voorzien en dat de duur van het inreisverbod in dat geval maximum drie jaar kan bedragen (artikel 74/11, §1, lid 2, 1° Vw).
  • DVZ bij het bepalen van de duur van het inreisverbod rekening moet houden met de specifieke omstandigheden van het geval (artikel 74/11, §1, lid 1 Vw).

Uit de motivering van het inreisverbod blijkt volgens de RvV dat DVZ bij het opleggen van een inreisverbod van drie jaar geen rekening heeft gehouden met de specifieke omstandigheden van het geval, namelijk de minderjarigheid van betrokkene.

  • Onwettig verblijf tijdens zijn minderjarigheid kan betrokkene niet aangerekend worden.
  • Dit behoort tot de verantwoordelijkheid van de wettelijk vertegenwoordiger en de voogd van betrokkene. De twee bevelen tot terugbrenging waren aan hen gericht en zij hebben nagelaten deze bevelen uit te voeren.

Volgens de RvV volstaat het vermeende gevaar voor de openbare orde niet om een inreisverbod van drie jaar te rechtvaardigen omdat DVZ geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat betrokkene minderjarig was op het ogenblik van de bijlagen 38.

Het inreisverbod werd daarom door de RvV vernietigd.