1 oktober 2019

In twee arresten van 11 september 2019 vernietigt de Raad van State (RvS) de retributie die voor heel wat verblijfsaanvragen betaald moest worden (RvS nrs 245.403 en 245.404). Volgens de RvS heeft de Belgische staat niet aangetoond dat het bedrag van de retributie in een redelijke verhouding staat tot de kostprijs van de geleverde dienst. Dit geldt zowel voor de basisbedragen van 215 euro, 160 euro en 60 euro ingevoerd door het KB van 16 februari 2015, als voor de verhoogde bedragen van 350 euro en 200 euro, ingevoerd door het KB van 14 februari 2017. Er zijn nog enkele andere KB's die de retributie gedeeltelijk regelen en die niet vernietigd zijn. Maar de reden waarom de vernietigde KB's onwettig zijn, geldt ook voor de niet-vernietigde KB's. Bovendien is de bevoegdheid van DVZ, gemeenten en consulaire posten om verblijfsaanvragen onontvankelijk te verklaren wegens de niet-betaling van een retributie, ook vernietigd. Er bestonden en bestaan dus geen wettige uitvoeringsregels om retributies te vragen voor het indienen van een verblijfsaanvraag. 

Wat vernietigde de RvS?

In zijn arresten vernietigt de RvS twee Koninklijke Besluiten (KB’s):

  • het KB van 16 februari 2015 tot wijziging van het Verblijfsbesluit (Vb) dat voor het eerst een retributie invoerde voor een basisbedrag van (naargelang de soort verblijfsaanvraag) 215, 160 en 60 euro. In dit KB werd ook de wijze van inning bepaald, zoals:
    • de bevoegdheid van DVZ, gemeenten en consulaire posten om verblijfsaanvragen onontvankelijk te verklaren bij niet-betaling, via de bijlage 42
    • de afgifte van de bijlage 43 door DVZ, gemeenten en consulaire posten bij gedeeltelijke betaling
    • de niet-terugbetaling van de gedeeltelijke betaling
  • het KB van 14 februari 2017 tot wijziging van het Verblijfsbesluit, dat de basisbedragen van 215 en 160 euro verhoogde tot 350 en 200 euro.

De RvS vernietigt deze beide KB’s om volgende redenen:

  • De Belgische staat heeft niet bewezen dat het bedrag van de retributie in een redelijke verhouding staat tot de kostprijs van de geleverde dienst. De overheid had zich voor de berekening van de gemiddelde kostprijs van een verblijfsaanvraag gebaseerd op een studie van onder meer KPMG en een nota van de Dienst administratieve vereenvoudiging, die volgens de RvS niet ernstig en zorgvuldig uitgevoerd was:
    • zo werd in de studie niet op ernstige wijze aangetoond hoeveel tijd er gemiddeld nodig is om een weigeringsbeslissing voor te bereiden en wat de gemiddelde behandelingsduur is van gemeenten en consulaire posten
    • de studie is uitsluitend gebaseerd op het aantal verblijfsaanvragen ingediend in één enkel jaar (2013)
    • het is niet bewezen dat het aantal verblijfsaanvragen waarop men zich baseert in de studie enkel betrekking heeft op verblijfsaanvragen onderworpen aan een retributie
    • er kan ernstig getwijfeld worden aan de betrouwbaarheid van de gebruikte cijfers, nu er voor datzelfde jaar andere cijfers meegedeeld werden aan de Inspectie van Financiën
  • Aangezien de basisbedragen al niet op een serieuze en proportionele wijze bepaald zijn, geldt dit volgens de RvS des te meer voor de verhoogde bedragen. De verhoogde bedragen zijn gebaseerd op een nieuwe studie, die echter grotendeels verwijst naar de eerste (onbetrouwbare) studie. Ook heeft de Belgische staat niet aangetoond dat het verhoogde bedrag voor gezinshereniging de eenheid van familie en het hoger belang van het kind, niet zal ondergraven.

Gevolg: niet-vernietigde KB’s buiten toepassing op grond van artikel 159 van de Grondwet

De vernietigde KB’s zijn na het indienen van de annulatieberoepen volledig of gedeeltelijk vervangen of aangevuld door andere KB’s:

  • Het vernietigde KB van 16 februari 2015 werd gedeeltelijk vervangen door het KB van 8 juni 2016 (waartegen geen annulatieberoep ingediend werd). Dit KB herneemt de basisbedragen van het vernietigde KB en voegt alleen een vrijstelling toe van retributie voor studenten en onderzoekers met een beurs. De bevoegdheidsdelegatie om aanvragen onontvankelijk te verklaren wegens niet-betaling van de retributie (in artikel 1/2 Verblijfsbesluit), werd echter niet hernomen in het KB van 8 juni 2016 en geldt dus niet meer.
  • Het vernietigde KB van 14 februari 2017 werd vervangen door het KB van 12 november 2018 (waartegen geen annulatieberoep ingediend werd). Het KB van 12 november 2018 wijzigt het Verblijfsbesluit in functie van de gecombineerde vergunning. Het KB van 6 juni 2019 breidt deze wijziging uit naar de Europese blauwe kaart.
     
  • Het KB van 22 juli 2018 koppelt de retributie aan het indexcijfer van de consumptieprijzen. Tegen dit KB werd geen annulatieberoep ingediend.

Hoewel bovenstaande KB’s niet vernietigd werden door de RvS, kunnen ook deze KB’s niet langer toegepast worden om volgende redenen:

  • artikel 159 van de Belgische Grondwet (Gw) stelt dat hoven en rechtbanken alleen besluiten mogen toepassen die wettig zijn (= exceptie van onwettigheid). Aangezien de RvS in zijn twee vernietigingsarresten duidelijk vastgesteld heeft dat de basis- en verhoogde bedragen van de retributie niet op een correcte wijze bepaald zijn en exact dezelfde bedragen hernomen worden in de niet-vernietigde KB’s, zonder enige bijkomende of alternatieve motivering door de Belgische staat, zijn ook deze KB’s onwettig en moeten ze buiten toepassing gelaten worden.
  • wanneer een administratieve overheid een onwettig besluit blijft toepassen kan de belanghebbende de onwettigheid hiervan opwerpen voor de rechter.
  • de mogelijkheid om incidenteel de onwettigheid van het KB van 8 juni 2016 op te werpen voor de rechter op basis van artikel 159 Gw, niettegenstaande er tegen dat KB geen vernietigingsberoep ingediend werd, wordt door de RvS zelf opgeworpen in zijn tussenarrest nr. 242.596 van 8 oktober 2018.

Gevolgen voor toekomstige en reeds betaalde retributies?

De vernietiging van de twee KB’s heeft zowel gevolgen voor het verleden, als voor de toekomst:

  • De vernietiging is retroactief, waardoor de KB’s geacht worden nooit te hebben bestaan. Dat betekent dat:
    • alle retributies die (onterecht) betaald werden vanaf 2 maart 2015, teruggevorderd kunnen worden van DVZ. 
    • bij weigering van terugbetaling kan deze via een beroep bij de burgerlijke rechtbank afgedwongen worden.
  • Er moet geen retributie meer betaald worden bij het indienen van een nieuwe verblijfsaanvraag. Dat volgt uit de exceptie van onwettigheid.
  • DVZ, de gemeenten en de posten hebben niet langer de bevoegdheid om verblijfsaanvragen onontvankelijk te verklaren wegens niet-betaling van de retributie.

Standpunt DVZ

Op zijn algemene webpagina over de administratieve retributie deelt DVZ impliciet zijn standpunt mee over de gevolgen van de vernietigingsarresten van de RvS. Volgens DVZ zijn de gevolgen in de tijd beperkt en kan er alleen een terugbetaling gevraagd worden in de volgende twee gevallen:

  • als je een retributie betaalde voor een aanvraag ingediend tussen 2 maart 2015 en 26 juni 2016. DVZ voorziet een formulier voor een volledige terugbetaling van retributies in die periode.
  • als je een verhoogde bijdrage betaalde voor een aanvraag ingediend tussen 1 maart 2017 en 2 januari 2019. DVZ voorziet voor retributies in die periode een formulier voor terugbetaling van het verschil tussen de verhoogde bedragen en de basisbedragen, bijvoorbeeld. 350 euro – 215 euro = 135 euro.

Wat volgt hier verder uit?

  • DVZ lijkt er dus vanuit te gaan dat voor een verblijfsaanvraag tussen 27 juni 2016 en 2 januari 2019 wel een retributie kon gevraagd worden aan de bedragen die vastgesteld werden in het KB van 8 juni 2016 (dat in werking trad op 27 juni 2016).
    • Wie dit wil betwisten, kan het algemene DVZ-formulier voor terugbetaling van een onterechte betaalde retributie invullen "wegens andere reden": aangezien Raad van State-arrest nr. 245.404 heeft vastgesteld dat deze bedragen niet correct bepaald en gemotiveerd zijn, en dat deze onwettigheid niet geremedieerd is door het KB van 8 juni 2016, moet dat KB buiten toepassing gelaten worden.
    • Dit kan ook voor de rechtbank ingeroepen worden op grond van artikel 159 Grondwet.
  • DVZ lijkt er ook van uit te gaan dat er voor alle aanvragen vanaf 3 januari 2019 opnieuw een retributie gevraagd mag worden aan de verhoogde bedragen vastgesteld in het KB van 12 november 2018 (dat in werking trad op 3 januari 2019). 
    • Wie dit wil betwisten, kan het algemene DVZ-formulier voor terugbetaling van een onterecht betaalde retributie invullen "wegens andere reden": aangezien Raad van State arresten nr. 245.403 en 245.404 hebben vastgesteld dat de basis- en verhoogde bedragen niet correct bepaald en gemotiveerd zijn, en dat deze onwettigheid niet geremedieerd is door het KB van 12 november 2018, moet dat KB buiten toepassing gelaten worden.
    • Dit kan ook voor de rechtbank ingeroepen worden op grond van artikel 159 Grondwet.
  • Wij vernamen nog geen standpunt van de betrokken overheden over de vraag welke instantie zich nog bevoegd acht om een verblijfsaanvraag nog onontvankelijk te verklaren wegens niet-betaling of gedeeltelijke betaling van de retributie.
    • De reglementaire basis artikel 1/2 Verblijfsbesluit, die deze bevoegdheid toekende aan de DVZ, de gemeente en de consulaire post, werd vernietigd door de RvS (RvS nr. 245.404) en werd nadien niet vervangen door een ander KB.
    • DVZ, de gemeenten en de consulaire posten zullen elk moeten oordelen of zij zonder deze reglementaire basis toch nog onontvankelijkheidsbeslissingen zullen nemen, die vatbaar zijn voor een beroep wegens onwettigheid.

We zullen dit nieuwsbericht actualiseren als er nog evoluties zijn.