20 mei 2022

In arrest nr. 235.038 van 21 februari 2022 verwerpt de Raad van State (RvS) het verzoek tot wraking van een rechter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV). De verzoekers wierpen op dat de rechter niet onpartijdig meer kon oordelen, nadat hij het beroep tegen de weigering van het verzoek tot internationale bescherming van de broer van een van de verzoekers had verworpen. De RvS oordeelt dat dit niet onder de definitie van ‘wettige verdenking’ valt en dat het niet om hetzelfde geschil gaat.

Feiten

De verzoekers verzochten de wraking van een RvV-rechter die volgens hen niet meer onpartijdig kon oordelen over hun verzoek om internationale bescherming. De rechter in kwestie had eerder het verzoek om internationale bescherming van de broer van een van de verzoekers verworpen en geoordeeld dat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is. De verzoekers werden ook vermeld in de zaak van de broer en verwijzen op hun beurt zelf in hun asielrelaas naar de problemen van de broer. Door deze verwevenheid van de dossiers, menen de verzoekers dat de rechter hun asielrelaas bij voorbaat als ongeloofwaardig zal bestempelen en niet onbevooroordeeld meer kan oordelen.

Beoordeling RvS

De RvS verwijst naar de term ‘wettige verdenking’ in artikel 828, 1° Gerechtelijk Wetboek. Volgens de RvS is het feit dat de rechter al oordeelde over het asielrelaas van de broer van een van de verzoekers onvoldoende om aan te nemen dat de rechter niet meer objectief onpartijdig zou kunnen oordelen en dat hij niet meer onafhankelijk en onpartijdig uitspraak zou kunnen doen. Dat deels dezelfde elementen worden ingeroepen, doet hier volgens de RvS geen afbreuk aan. De RvS motiveert niet concreet waarom de door de verzoekers opgeworpen feiten niet onder ‘wettige verdenking’ kunnen vallen. Hij stelt hierover enkel vast dat het ‘niet volstaat’ en het ‘hieraan geen afbreuk doet’, zonder meer.

Daarnaast stelt de RvS vast dat de magistraat in kwestie geen ‘raad gegeven heeft, gepleit heeft of geschreven heeft’ over het geschil, zoals bedoeld in artikel 828, 9° Gerechtelijk Wetboek. Het gaat immers niet om hetzelfde geschil, dezelfde partijen of hetzelfde voorwerp. Het feit dat deels dezelfde elementen worden ingeroepen volstaat niet om te oordelen dat de rechter in kwestie reeds uitspraak heeft gedaan over het geschil dat voorligt.