19 maart 2020

Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) is niet meer bevoegd om een verblijfsaanvraag onontvankelijk te verklaren omdat de aanvrager geen retributie betaalde. Ook het bedrag van de retributie is onwettig en kan daarom niet toegepast worden. Dat zegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) in arrest nummer 228.858 van 18 november 2019.

Feiten

Een derdelander diende op 25 februari 2019 een aanvraag gezinshereniging in (op basis van artikel 10 Verblijfswet). Op 21 maart 2019 verklaarde DVZ de aanvraag onontvankelijk omdat betrokkene niet bewezen had dat hij de retributie betaald had. DVZ beriep zich daarvoor op artikel 1/1 Verblijfswet en artikel 1/2, §§ 2 en 3 vierde lid Verblijfsbesluit.

RvV

Omdat de bevoegdheid om een bestuurlijke beslissing te nemen de openbare orde raakt, onderzoekt de RvV eerst ambtshalve of DVZ bevoegd was om de onontvankelijkheidsbeslissing te nemen. De RvV concludeert dat dit niet het geval was om de volgende redenen:

  • Artikel 1/1 Verblijfswet geeft op zichzelf geen bevoegdheid aan een attaché bij DVZ om een verblijfsaanvraag onontvankelijk te verklaren omdat er geen retributie betaald werd.
  • Artikel 1/2, §2 Verblijfsbesluit voorzag wel in de bevoegdheid om een verblijfsaanvraag onontvankelijk te verklaren wanneer de aanvrager geen bewijs aanbracht van het betalen van de retributie. Maar die bepaling werd ingevoerd door het KB van 16 februari 2015 tot wijziging van het Verblijfsbesluit van 8 oktober 1981. Dat KB werd vernietigd door de Raad van State (RvS) in arrest nr. 245.404 van 11 september 2019, waardoor het geacht wordt nooit te hebben bestaan. (We bespraken dit arrest in een apart nieuwsbericht. Onderaan dit bericht vind je een link.) Artikel 1/2, §2 Verblijfsbesluit biedt dus geen basis meer voor DVZ om verblijfsaanvragen onontvankelijk te verklaren bij niet-betaling van de retributie.
  • Ook het Ministerieel Besluit van 18 maart 2009 houdende delegatie van bepaalde bevoegdheden van de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kent geen bevoegdheid toe aan een attaché van DVZ om een verblijfsaanvraag onontvankelijk te verklaren in toepassing van artikel 1/1 Verblijfswet.

Bijkomend wijst de RvV erop dat uit de vernietigingsarresten nummers 245.403 en 245.404 van de RvS van 11 september 2019 blijkt dat de (huidige) bedragen van de retributies (die hernomen werden in nieuwe KB’s) onwettig zijn omdat ze niet in verhouding staan met de werkelijke kostprijs van de dienstverlening verstrekt door de overheid. Op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing bestond er dus geen KB dat het bedrag van de retributie op wettige wijze vaststelde. Volgens artikel 159 Grondwet kan de RvV alleen KB’s toepassen die in overeenstemming zijn met de wet.

De RvV vernietigt dan ook de beslissing om een verblijfsaanvraag onontvankelijk te verklaren wegens het niet betalen van de retributie.