5 september 2016

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) heeft recent verschillende beslissingen van de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) in het kader van de Dublin III-verordening nr. 604/2013 geschorst en/of vernietigd. Het gaat om beslissingen waarbij een asielzoeker werd overgedragen aan Hongarije, Italië of Bulgarije. 

Hierna volgt een kort overzicht met bespreking:

Dublin - Bulgarije

RvV arresten nrs. 168.890 en 168.891 van 1 juni 2016 schorsen bij uiterst dringende noodzakelijkheid (UDN) de overdracht van een Afghaanse asielzoeker naar Bulgarije. Net zoals in arrest nr. 165.304 dat we eerder bespraken in onze nieuwsbrief, oordeelt de RvV dat de asielprocedure en opvangomstandigheden in Bulgarije zijn verslechterd.

Volgens de RvV arresten van 1 juni 2016 werd het zorgvuldigheidsbeginsel in samenhang met artikel 3 EVRM geschonden. Het feit dat UNHCR geen nieuw advies uitbracht sinds 2014 over de overdracht naar Bulgarije, doet geen afbreuk aan de plicht van DVZ om actuele verslagen en rapporten over de asielprocedure en opvangomstandigheden in Bulgarije grondig te onderzoeken. Dat heeft DVZ in deze zaken nagelaten te doen. DVZ heeft de bronnen die beschikbaar waren onvoldoende en selectief bestudeerd en heeft ten onrechte geconcludeerd dat voldaan is aan het ‘interstatelijk vertrouwensbeginsel’. Dit beginsel bepaalt dat men mag aannemen dat een andere lidstaat van de EU zijn verdragsverplichtingen zal nakomen bij een eventuele overdracht van de asielzoeker. Dit principe gaat echter niet op wanneer “er fundamentele tekortkomingen zijn met betrekkingen tot procedures inzake asiel en internationale bescherming en onthaal- en opvangvoorzieningen die kunnen leiden tot een reëel risico dat de asielzoeker bij overdracht onderworpen zal worden aan een behandeling die als onmenselijk en vernederend kan worden beschouwd.” Met betrekking tot deze zaak verwijst de RvV naar volgende documenten:

Bijkomende bronnen die door de verzoeker werden aangebracht:

De andere voorwaarden van uiterst dringende noodzakelijkheid en de aanwezigheid van een moeilijk te herstellen nadeel werden ook voldaan.

 

Dublin - Italië

RvV arrest nr. 169.039 van 3 juni 2016 vernietigt de overdracht van een asielzoekster naar Italië. De RvV verwijst naar het AIDA-rapport over Italië van 22 december 2015 en stelt vast dat DVZ een gedeeltelijke lezing maakt van dit rapport. DVZ had zelf in de Dublin-beslissing verwezen naar het AIDA-rapport en naar voor gebracht dat er in Italië weliswaar tijdelijke opvangcapaciteit is, specifiek gericht op Dublin-terugkeerders. Uit het rapport bleek echter ook dat deze specifieke opvangvoorzieningen al beëindigd werden eind juni 2015. In de Dublin-beslissing werd niet vermeld of de specifieke opvanginitiatieven voor Dublin-terugkeerders opnieuw werden gefinancierd na de stopzetting ervan eind juni 2015. Dit bleek ook niet uit het AIDA-rapport. De RvV concludeert dan ook dat, in tegenstelling tot wat in de Dublin-beslissing staat, het niet duidelijk is dat de Iraakse asielzoekster zal worden opgevangen in een opvangvoorziening die specifiek gericht is op Dublin-terugkeerders. 

De DVZ verwijst in de Dublin-beslissing ook naar andere opvangstructuren in Italië. De RvV stelt evenwel vast dat uit de motivering van DVZ niet uitdrukkelijk blijkt dat dat de specifieke groep van Dublin-terugkeerders eveneens toegang heeft tot die andere opvangstructuren.

De RvV besluit dan ook tot de vernietiging van de Dublin-beslissing, omdat het niet zeker is dat de asielzoekster als Dublin-terugkeerder de nodige opvang zal krijgen. De gedeeltelijke lezing van het AIDA-rapport over Italië van 22 december 2015 door de DVZ duidt op een gebrek aan een nauwkeurig en volledig onderzoek van het geval van de asielzoekster.

Dublin - Hongarije

RvV arrest nr. 168.142 van 24 mei 2016 vernietigt de overdracht van een asielzoeker naar Hongarije. De RvV acht het kennelijk onredelijk dat de DVZ er in de Dublin-beslissing zonder meer vanuit gaat dat de asielzoeker, een Iraakse man, niet naar Servië of een ander derde land zal uitgewezen worden.

Een Iraakse man diende op 13 mei 2015 in België een asielaanvraag in. Op 19 juni 2015 richtte België een terugnameverzoek aan Hongarije op basis van artikel 18.1.b van de Dublin III-verordening. Op 7 en 8 mei werden immers vingerafdrukken genomen in Hongarije. De man had volgens DVZ ook een asielaanvraag ingediend in Hongarije. Op 4 augustus werden de Hongaarse autoriteiten erop gewezen dat ze op basis van artikel 25, §2 van de Dublin III-verordening verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van de Iraakse man. Het zonder reactie laten verstrijken van de termijn na het terugnameverzoek staat immers gelijk met de aanvaarding van het verzoek. De Dublin-beslissing ten aanzien van de asielzoeker, waarbij België verklaart niet verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van de asielaanvraag, werd door DVZ genomen op 4 december 2015.

Op 10 december 2015 werd door de Iraakse asielzoeker een verzoekschrift bij de RvV ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid (UDN) de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van deze beslissing. Bij arrest nr. 158.631 van 15 december 2015 schorste de RvV de Dublin-beslissing. Op 16 december werd een verzoekschrift ingediend om de nietigverklaring te vorderen van dezelfde beslissing.

De RvV stelt op basis van het AIDA-rapport over Hongarije van november 2015 vast dat de wetswijzigingen in de Hongaarse asielwetgeving op 1 augustus 2015 in werking getreden zijn. De voorheen bestaande ontvankelijkheidsprocedure en gegrondheidsprocedure werden samengevoegd tot één gewone procedure. Sinds 1 augustus 2015 wordt ook het concept ‘veilig derde land’ toegepast op asielzoekers die Hongarije binnenkomen. Servië wordt beschouwd als zo’n veilig derde land en alle asielaanvragen van asielzoekers die via Servië Hongarije binnenkomen worden onontvankelijk verklaard. De Iraakse man was Hongarije binnengekomen vanuit Servië in mei 2015, voor de inwerkingtreding van de nieuwe Hongaarse asielwetgeving. Maar de RvV wijst erop dat uit het AIDA-rapport van november 2015 blijkt dat het concept van ‘veilig derde land’ ook toegepast wordt op Dublin-terugkeerders die aan Hongarije worden overgedragen na 1 augustus 2015. Dus het concept kan ook op de Iraakse man worden toegepast.

De RvV vervolgt dat  DVZ niet heeft onderzocht of Hongarije bij de toepassing van het concept ‘veilig derde land’ het beginsel van non-refoulement nageleefd wordt zodat er geen risico op chain refoulement ontstaat.

Uit het voorgaande besluit de RvV dat er een schending is van de materiële motiveringsplicht van  DVZ in het licht van artikel 3 EVRM. De Dublin-beslissing wordt dan ook vernietigd.

RvV arrest nr. 166.725 van 28 april 2016 vernietigt de overdracht van een asielzoeker naar Hongarije.

Een Senegalese man diende op 30 september 2015 in België een asielaanvraag in. Gezien de man reeds eerder op 6 juli 2015 een asielaanvraag indiende in Hongarije, richtte België op 12 oktober 2015 een terugnameverzoek aan Hongarije op basis van artikel 18.1.b van de Dublin III-verordening. Op 28 oktober 2015 heeft België aangegeven bij de Hongaarse autoriteiten dat ze verondersteld worden verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van de Senegalese man op basis van artikel 25, §2 van de Dublin III-verordening. De Dublin-beslissing werd door de DVZ genomen op 27 november 2015. Op 9 december 2015 werd door  DVZ een bevel om het grondgebied te verlaten met vasthouding met het oog op verwijdering afgeleverd. Dezelfde dag werd een verzoekschrift bij de RvV ingediend om onder meer de vernietiging te vragen van de Dublin-beslissing.

De RvV stelt vast dat DVZ in de Dublin-beslissing hoofdzakelijk refereert naar drie rapporten die vooraf gaan aan de wijzigingen in de Hongaarse asielwetgeving van juli en september 2015. Die wetswijzigingen hebben een belangrijke impact op verschillende aspecten van de asielprocedure in Hongarije, in het bijzonder met betrekking tot de toegang tot internationale bescherming en met betrekking tot het begrip ‘veilig derde land’ en op het risico op refoulement dat daaruit volgt. DVZ maakte daarentegen geen gebruik van het AIDA-ECRE-rapport van 1 oktober 2015 “Crossing Boundaries: The new asylum procedure at the border and restrictions to accessing protection in Hungary” van 1 oktober 2015  dat aanwezig was in het administratief dossier. Dit rapport bespreekt de wetswijzigingen wel en spreekt de bevindingen uit de drie voorafgaande rapporten waarnaar de DVZ verwijst op belangrijke punten tegen.  DVZ heeft nagelaten de impact van de wetswijzigingen en maatregelen van de Hongaarse autoriteiten op de verschillende onderdelen van de actuele asielprocedure te analyseren, werd er geen aandachtig en rigoureus onderzoek gevoerd naar een mogelijke schending van het artikel 3 EVRM. De Dublin-beslissing wordt dan ook vernietigd.

Opmerking Vluchtelingenwerk Vlaanderen

Op de contactvergadering asiel van 17 mei 2016 werd door DVZ meegegeven dat de transfers naar Hongarije in het kader van de Dublin III-verordening nr. 604/2013 zijn opgeschort. Dit betekent echter niet dat België automatisch bevoegd is. De termijn van zes maanden binnen dewelke de asielzoeker wordt overgedragen van de verzoekende lidstaat (in casu België) aan de verantwoordelijk lidstaat (in casu Hongarije) loopt wel gewoon door. Deze termijn begint te lopen vanaf de aanvaarding van het verzoek door de verantwoordelijke lidstaat. De termijn van zes maanden om de asielzoeker over te nemen of terug te nemen wordt verlengd tot 18 maanden indien de betrokkene onderduikt. Indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de termijn komt de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de asielzoeker over te nemen te vervallen en gaat de verantwoordelijkheid over op de verzoekende lidstaat. 

 
Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen