17 september 2019

De standaardvermelding op de bijlage 19ter dat “voor zover de bestaansmiddelen niet ter waarde zijn van 120% van het leefloon voor een persoon met gezinslast […] de bewijzen van bestaansmiddelen vergezeld [dienen] te zijn van bewijzen van de vaste en variabele kosten van de Belg en zijn gezinsleden”, voldoet niet aan de onderzoeksplicht van Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) zoals opgelegd door artikel 42 §1, tweede lid Verblijfswet. Dat verplicht DVZ om alle bescheiden en inlichtingen nuttig voor de individuele behoefteanalyse, te doen overleggen door de vreemdeling en door elke Belgische overheid. Dat principe, dat eerder al bevestigd was door de Raad van State (RvS 5 juni 2018, nr. 12.881 (c)), herhaalt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) in een arrest van 25 april 2019 (nr. 220.295).

Een van de voorwaarden voor gezinshereniging met een Belg (of derdelander) is dat de referentiepersoon over voldoende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen moet beschikken, om niet ten laste te vallen van de Belgische sociale bijstand. Die voorwaarde is volgens artikel 40ter Vw voldaan als de bestaansmiddelen ten minste gelijk zijn aan 120% procent van het geïndexeerde leefloontarief persoon met gezinslast (op dit moment bedraagt dit 1.505,78 euro).

Wat als de referentiepersoon geen bestaansmiddelen kan bewijzen gelijk aan tenminste 120% van het leefloontarief? Dan verplicht artikel 42 Vw DVZ om een individuele behoefteanalyse uit te voeren. Dit betekent:

  • bepalen op basis van de eigen behoeften van de Belg die vervoegd wordt en van zijn familieleden, welke bestaansmiddelen zij nodig hebben om in hun behoeften te voorzien zonder ten laste te vallen van de openbare overheden
  • hiervoor kan DVZ de vreemdeling en elke Belgische overheid vragen om alle bescheiden en inlichtingen die voor het bepalen van dit bedrag nuttig zijn, over te maken

In RvV arrest nr. 220.295 staat de vraag centraal wanneer en hoe DVZ de individuele behoefteanalyse moet uitvoeren. In een interne instructie aan de gemeenten vraagt DVZ om de volgende vermelding standaard toe te voegen op de aanvraag gezinshereniging (= bijlage 19ter): “Voor zover de bestaansmiddelen niet ter waarde zijn van 120% van het leefloon voor een persoon met gezinslast dienen de bewijzen van bestaansmiddelen vergezeld te zijn van bewijzen van de vaste en variabele kosten van de Belg en zijn gezinsleden.” Volgens DVZ komt hij daarmee zijn verplichting na krachtens artikel 42 Vw om alle bescheiden en inlichtingen te doen overleggen door de vreemdeling, die nuttig zijn voor de individuele behoefteanalyse. Maakt de aanvrager deze bewijzen niet over bij de aanvraag, dan baseert DVZ zich voor de behoefteanalyse alleen op de gegevens waarover het beschikt zonder nog verdere informatie op te vragen.

Maar de RvV aanvaardt deze werkwijze niet. Volgens de RvV is het niet redelijk dat DVZ van een vreemdeling verwacht dat:

  • hij bij het indienen van een verblijfsaanvraag opzoekingen doet in de wetgeving om te achterhalen wat precies het geïndexeerde referentiebedrag is van 120% van het leefloon
  • hij vervolgens inschat of alle door hem overgemaakte bestaansmiddelen mee in rekening zullen worden gebracht,
  • hij vervolgens berekent of de bestaansmiddelen van de referentiepersoon toereikend zijn om de grens van 120% van dit bedrag te bereiken
  • en indien niet, vervolgens anticipeert op een behoefteanalyse en hiervoor reeds inlichtingen overmaakt over de gezinssituatie en concrete uitgaven

Bijgevolg kan een standaardvermelding op de bijlage 19ter niet volstaan om DVZ te ontslaan van zijn verplichting om alle bescheiden en inlichtingen nuttig voor de individuele behoefteanalyse, te doen overleggen door de vreemdeling en door elke Belgische overheid. Zoals de Raad van State vroeger al stelde, moet DVZ tijdens het onderzoek van de aanvraag gezinshereniging, na vastgesteld te hebben welke bestaansmiddelen in aanmerking genomen kunnen worden, aan de vreemdeling vragen alle nuttige elementen over te maken om het individuele bedrag vast te stellen van de bestaansmiddelen die zij nodig hebben om in hun behoeften te voorzien, zonder ten laste te vallen van de sociale bijstand (RvS 5 juni 2018, nr. 12.881 (c)).