5 juni 2018

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) schorste op 29 maart 2018 een bevel om het grondgebied te verlaten (BGV) met vasthouding met het oog op repatriëring (bijlage 13septies) bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) had nagelaten een individueel onderzoek naar het privé- en gezinsleven te voeren toen hij geen termijn voor vrijwillig vertrek toekende wegens "risico op onderduiken". DVZ mag niet automatisch besluiten tot een risico op onderduiken omdat een of meer feiten van de lijst van artikel 1, §2 Vw aanwezig zijn.

Feiten 

Een Nigeriaanse vrouw kreeg een bijlage 13septies afgeleverd wegens onwettig verblijf en een risico op onderduiken. Tot die laatste conclusie kwam DVZ omdat betrokkene zich nooit had aangemeld bij de Belgische overheid en nooit een poging had ondernomen om haar verblijf te regulariseren

De vrouw stelde tegen deze beslissing een schorsingsberoep bij uiterst dringende noodzakelijkheid in. 

RvV

In geval van een risico op onderduiken kan DVZ beslissen om bij de afgifte van het BGV geen termijn voor vrijwillig vertrek toe te kennen (artikel 74/14, §3 Verblijfswet, hierna Vw). Wanneer is er een risico op onderduiken? 

  • De memorie van toelichting omschrijft het risico op onderduiken als “feiten of handelwijzen die aan de betrokkene kunnen worden toegeschreven of die hem kunnen worden verweten en die, omwille van hun aard of hun ernst, kunnen verklaren waarom er redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de betrokkene een reëel en actueel risico vormt dat hij zich zal onttrekken aan de verwijderings-, terugdrijvings- of overdrachtsmaatregel die ten opzichte van hem genomen of voorzien wordt”.
  • Artikel 1, §2 Vw bevat elf objectieve criteria om het risico op onderduiken te beoordelen en vast te stellen. 
  • Volgens de RvV moet DVZ bij de vaststelling van een risico op onderduiken uitdrukkelijk verwijzen naar artikel 1, §2 Vw en het concrete objectieve criterium aanduiden dat in de zaak van toepassing is. 

Bovendien moet DVZ bij de vaststelling van een risico op onderduiken ook een individueel onderzoek voeren volgens de RvV: 

  • Artikel 1, §2 Vw bepaalt namelijk dat er rekening wordt gehouden met alle omstandigheden eigen aan het geval zoals gezinsleven, gezondheidstoestand, leeftijd, persoonlijkheid, gedrag.
  • DVZ mag niet automatisch besluiten tot een risico op onderduiken omdat een of meer feiten van de lijst van artikel 1, §2 Vw aanwezig zijn. 
  • DVZ moet elke individuele situatie in haar geheel onderzoeken. 

DVZ moet bij het nemen van een verwijderingsbeslissing rekening houden met het hoger belang van het kind, het gezins- en familieleven en de gezondheidstoestand van de betrokkene (artikel 74/12 Vw). 

Door in de bestreden beslissing te stellen dat een grondiger onderzoek van artikel 3 en 8 EVRM zal plaatsvinden op een later tijdstip geeft DVZ aan nog geen definitief standpunt te hebben gevormd over het privé- en gezinsleven van betrokkene. Deze praktijk houdt een schending van artikel 74/13 Vw en artikel 8 EVRM in wegens gebrek aan grondig onderzoek, oordeelt de RvV.

De RvV beveelt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid omdat: 

  • DVZ in zijn beslissing niet had verduidelijkt op basis van welk specifiek objectief criterium van artikel 1, §2 Vw er in hoofde van betrokkene een risico op onderduiken bestond.
  • DVZ niet met alle omstandigheden eigen aan het geval rekening had gehouden, zoals de eerdere minderjarigheid van betrokkene. 
  • DVZ geen grondig onderzoek naar het privé- en gezinsleven van betrokkene had gevoerd.