13 mei 2020

In arrest nr. 234.963 van 8 april 2020 vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) een beslissing waarin het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS) een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk verklaart omdat de verzoekers al een internationaal beschermingsstatuut hebben in Griekenland.

De RvV oordeelt dat om een duidelijke beoordeling te maken van het risico op onmenselijke en vernederende behandelingen bij terugkeer, er naast de individuele omstandigheden ook rekening gehouden moet worden met de algemene situatie in Griekenland, zoals blijkt uit voorgelegde landenrapporten en objectieve informatiebronnen. De Raad interpreteert in zijn beoordeling het arrest Ibrahim van het Europees Hof van Justitie (HvJ).

Feiten

Een Syrisch gezin diende in 2016 een verzoek in tot internationale bescherming in Griekenland. Tijdens de procedure verbleven zij achtereenvolgens in een opvangcentrum en een individuele woning. Het gezin kreeg maandelijks een vergoeding uitgekeerd om te voorzien in hun levensonderhoud. Twee jaar later, wanneer het gezin de subsidiaire beschermingsstatus verkreeg, werd hen meegedeeld dat hun opvang en financiële steun zou worden stopgezet. Aangezien het gezin moeilijkheden voorzag op vlak van werk, huisvesting en gezondheidszorg, besloot het gezin Griekenland te verlaten en internationale bescherming te vragen aan België.

Op 16 december 2019 nam het CGVS een beslissing tot niet-ontvankelijkheid voor het gezin omdat zij reeds internationale bescherming genieten in een andere lidstaat, met name Griekenland. Dit op basis van artikel 57/6, §3, eerste lid, 3° van de Verblijfswet (Vw). Volgens het CGVS brachten verzoekers geen elementen aan waaruit blijkt dat deze bescherming niet meer actueel of ontoereikend is:

  • Enerzijds wijst het CGVS op het feit dat er verschillen kunnen zijn in de algemene economische toestand tussen de lidstaten van de Europese Unie. Het CGVS stelt dat er geen sprake is van systematische tekortkomingen in Griekenland en dat verzoekers tijdens de procedure steeds toegang hadden tot hun basisrechten.
  • Anderzijds meent het CGVS dat verzoekers na het verkrijgen van hun statuut onvoldoende inspanningen hebben gedaan om hun situatie te verbeteren. Zij waren immers meteen vertrokken.

Het CGVS meent dat hieruit kan worden geconcludeerd dat verzoekers niet kunnen aantonen dat hun basisrechten bij terugkeer naar Griekenland in het gedrang komen en dat de levensomstandigheden daar niet beschouwd kunnen worden als een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM).

Beoordeling door de RvV

De RvV verwijst in haar motivering naar de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie (HvJ arrest Ibrahim van 19 maart 2019, C-297/17). 

Overeenkomstig dit arrest is een beslissing tot niet-ontvankelijkheid mogelijk:

  • “(…) wanneer de voorzienbare levensomstandigheden van die verzoeker als persoon die subsidiaire bescherming geniet in die andere lidstaat, hem niet blootstellen aan een ernstig risico op onmenselijke of vernederende behandeling (…)”
  • “De omstandigheid dat personen die een dergelijke subsidiaire bescherming genieten, in die lidstaat geen bestaansondersteunende voorzieningen genieten of voorzieningen genieten die duidelijk beperkter zijn dan die welke in andere lidstaten worden geboden, zonder dat zij evenwel anders worden behandeld dan de onderdanen van die lidstaat, kan alleen dan leiden tot (…) een dergelijk risico, wanneer die omstandigheid tot gevolg heeft dat de verzoeker vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, zou terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie (…)”
  • Daarbij gaat het om een situatie “die hem niet in staat stelt te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over een woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand zou brengen (…) onverenigbaar met de menselijke waardigheid.”

Samenvattend stelt de RvV dat in deze zaak moest aangetoond worden dat verzoekers bij een terugkeer naar Griekenland, buiten hun wil en hun persoonlijke keuzes om, in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie zouden terechtkomen.

Volgens het arrest Ibrahim moet dit aangetoond worden door ‘objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens’ die structurele en zwaarwegende tekortkomingen in de lidstaat blootleggen en daar schiet het CGVS volgens de RvV tekort.

Verzoekers hebben ernstige moeilijkheden aangebracht met betrekking tot huisvesting, tewerkstelling en medische zorgen en hebben dit kracht bij gezet door het toevoegen van enkele internationale rapporten in beroep. Zij klagen de slechte socio-economische omstandigheden in Griekenland aan, zeker voor een gezin met drie kinderen.

Het CGVS heeft deze bekommernissen onvoldoende onderzocht, noch tijdens de beoordeling van het verzoek als later in een aanvullende nota. Er kan hierdoor niet in redelijkheid worden geoordeeld dat deze moeilijkheden geen aanleiding kunnen geven tot een situatie van materiële deprivatie. Het feit dat verzoekers tijdens de asielprocedure bijstand kregen, nadien geen pogingen hebben ondernomen om hun leven in Griekenland met een beschermingsstatus uit te bouwen en meteen Griekenland hebben verlaten, doet hier geen afbreuk aan.

De Raad stelt dat hoewel, in het licht van de Ibrahim-rechtspraak, de individuele omstandigheden belangrijk zijn, deze niet los gezien kunnen worden van de algemene situatie in Griekenland, zoals blijkt uit algemene landenrapporten en objectieve informatiebronnen.

Door het gebrek aan een omstandig en objectief onderzoek naar een mogelijke schending van artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, schendt de bestreden beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel.

 
Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen