13 mei 2020

Geactualiseerd in november 2021

In arrest nr. 234.963 van 8 april 2020 vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) een beslissing waarin het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS) een verzoek om internationale bescherming (IB) niet-ontvankelijk verklaart omdat de verzoekers al een internationaal beschermingsstatuut hebben in Griekenland. Om een duidelijke beoordeling te maken van het risico op onmenselijke en vernederende behandelingen bij terugkeer, meent de RvV dat er naast de individuele omstandigheden ook rekening gehouden moet worden met de algemene situatie in Griekenland, zoals blijkt uit voorgelegde landenrapporten en objectieve informatiebronnen. De Raad interpreteert in zijn beoordeling het arrest Ibrahim van het Europees Hof van Justitie (HvJ).

Ook in het arrest nr. 241.571 van 29 september 2020 wijst de RvV erop dat de verklaringen van verzoekers om I  B met een beschermingsstatus in Griekenland zorgvuldig moeten worden afgetoetst aan de algemene informatie over de situatie van internationaal beschermden in dat land.

In het arrest nr. 245.948 van 10 december 2020 benadrukt de RvV dat ook de individuele omstandigheden van de verzoeker na het verkrijgen van het internationaal beschermingsstatuut in Griekenland, grondig onderzocht moeten worden.

In drie arresten (nr. 259.842 van 31 augustus 2021; nr. 260.134 van 3 september 2021; nr. 260.192 van 6 september 2021) oordeelt de RvV dat nieuwe elementen in verband met de psychische kwetsbaarheid van verzoekers met een beschermingsstatuut in Griekenland, neergelegd in het kader van een volgend verzoek om IB in België, grondig onderzocht moeten worden. De RvV vernietigt de niet-ontvankelijkheidsbeslissingen en stuurt de dossiers terug naar het CGVS voor een nieuw onderzoek met inachtname van de nieuwe psychische elementen.

RvV arrest nr. 234.963 van 8 april 2020

Feiten

Een Syrisch gezin diende in 2016 een verzoek in tot IB in Griekenland. Tijdens de procedure verbleven zij achtereenvolgens in een opvangcentrum en een individuele woning. Het gezin kreeg maandelijks een vergoeding uitgekeerd om te voorzien in hun levensonderhoud. Twee jaar later, wanneer het gezin de subsidiaire beschermingsstatus verkreeg, werd hen meegedeeld dat hun opvang en financiële steun zou worden stopgezet. Aangezien het gezin moeilijkheden voorzag op vlak van werk, huisvesting en gezondheidszorg, besloot het gezin Griekenland te verlaten en IB te vragen aan België.

Op 16 december 2019 nam het CGVS een beslissing tot niet-ontvankelijkheid voor het gezin omdat zij reeds IB genieten in een andere lidstaat, met name Griekenland. Dit op basis van artikel 57/6, §3, eerste lid, 3° van de Verblijfswet (Vw). Volgens het CGVS brachten verzoekers geen elementen aan waaruit blijkt dat deze bescherming niet meer actueel of ontoereikend is:

  • Enerzijds wijst het CGVS op het feit dat er verschillen kunnen zijn in de algemene economische toestand tussen de lidstaten van de Europese Unie. Het CGVS stelt dat er geen sprake is van systematische tekortkomingen in Griekenland en dat verzoekers tijdens de procedure steeds toegang hadden tot hun basisrechten.
  • Anderzijds meent het CGVS dat verzoekers na het verkrijgen van hun statuut onvoldoende inspanningen hebben gedaan om hun situatie te verbeteren. Zij waren immers meteen vertrokken.

Het CGVS meent dat hieruit kan worden geconcludeerd dat verzoekers niet kunnen aantonen dat hun basisrechten bij terugkeer naar Griekenland in het gedrang komen en dat de levensomstandigheden daar niet beschouwd kunnen worden als een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM).

Beoordeling door de RvV

De RvV verwijst in haar motivering naar de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie (HvJ arrest Ibrahim van 19 maart 2019, C-297/17). 

Overeenkomstig dit arrest is een beslissing tot niet-ontvankelijkheid mogelijk:

  • “(…) wanneer de voorzienbare levensomstandigheden van die verzoeker als persoon die subsidiaire bescherming geniet in die andere lidstaat, hem niet blootstellen aan een ernstig risico op onmenselijke of vernederende behandeling (…)”
  • “De omstandigheid dat personen die een dergelijke subsidiaire bescherming genieten, in die lidstaat geen bestaansondersteunende voorzieningen genieten of voorzieningen genieten die duidelijk beperkter zijn dan die welke in andere lidstaten worden geboden, zonder dat zij evenwel anders worden behandeld dan de onderdanen van die lidstaat, kan alleen dan leiden tot (…) een dergelijk risico, wanneer die omstandigheid tot gevolg heeft dat de verzoeker vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, zou terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie (…)”
  • Daarbij gaat het om een situatie “die hem niet in staat stelt te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over een woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand zou brengen (…) onverenigbaar met de menselijke waardigheid.”

Samenvattend stelt de RvV dat in deze zaak moest aangetoond worden dat verzoekers bij een terugkeer naar Griekenland, buiten hun wil en hun persoonlijke keuzes om, in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie zouden terechtkomen.

Volgens het arrest Ibrahim moet dit aangetoond worden door ‘objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens’ die structurele en zwaarwegende tekortkomingen in de lidstaat blootleggen en daar schiet het CGVS volgens de RvV tekort.

Verzoekers hebben ernstige moeilijkheden aangebracht met betrekking tot huisvesting, tewerkstelling en medische zorgen en hebben dit kracht bij gezet door het toevoegen van enkele internationale rapporten in beroep. Zij klagen de slechte socio-economische omstandigheden in Griekenland aan, zeker voor een gezin met drie kinderen.

Het CGVS heeft deze bekommernissen onvoldoende onderzocht, noch tijdens de beoordeling van het verzoek als later in een aanvullende nota. Er kan hierdoor niet in redelijkheid worden geoordeeld dat deze moeilijkheden geen aanleiding kunnen geven tot een situatie van materiële deprivatie. Het feit dat verzoekers tijdens de asielprocedure bijstand kregen, nadien geen pogingen hebben ondernomen om hun leven in Griekenland met een beschermingsstatus uit te bouwen en meteen Griekenland hebben verlaten, doet hier geen afbreuk aan.

De Raad stelt dat hoewel, in het licht van de Ibrahim-rechtspraak, de individuele omstandigheden belangrijk zijn, deze niet los gezien kunnen worden van de algemene situatie in Griekenland, zoals blijkt uit algemene landenrapporten en objectieve informatiebronnen.

Door het gebrek aan een omstandig en objectief onderzoek naar een mogelijke schending van artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, schendt de bestreden beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel.

RvV arrest nr. 241.571 van 29 september 2020

In dit arrest herhaalt de RvV het belang van het in aanmerking nemen van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens omtrent de situatie van statushouders in het land waar zij IB genieten (in casu Griekenland). De zaak betreft een psychisch kwetsbare alleenstaande moeder van Eritrese origine met drie minderjarige kinderen waarvan een met ernstige psychiatrische problemen kampt. Het CGVS verweet de verzoekster in Griekenland geen psychologische hulp te hebben gezocht voor zichzelf en haar zoon.

De RvV stelt echter vast dat de verklaringen van de verzoekster over de belemmeringen in de toegang tot psychologische hulp door het CGVS niet werden afgetoetst aan de algemene informatie hierover in de landenrapporten. Uit die rapporten blijkt dat statushouders in Griekenland zich daar in bijzonder moeilijke, soms schrijnende omstandigheden kunnen bevinden en er onder meer belemmeringen ondervinden bij het krijgen van toegang tot medische hulp. Gezien het zeer kwetsbare profiel van de verzoekster, dient zorgvuldig nagegaan te worden of de nodige medische en psychologische hulp voor haar en haar gezin verzekerd zijn in Griekenland. De RvV oordeelt dat een dergelijk zorgvuldig onderzoek niet werd gevoerd, en vernietigt de beslissing van het CGVS.

RvV arrest nr. 245.948 van 10 december 2020

Naast de objectieve informatie over de algemene situatie voor statushouders in Griekenland, moet het CGVS een grondig onderzoek voeren naar de individuele omstandigheden van de verzoeker na het verkrijgen van het internationaal beschermingsstatuut in Griekenland. In deze zaak haalde de verzoeker in het verzoekschrift aan zich na het verkrijgen van het beschermingsstatuut in Griekenland in een situatie van verregaande materiële deprivatie te hebben bevonden, met onder meer een gebrek aan huisvesting, adequate gezondheidszorg en minimale financiële hulp en veiligheid. De RvV stelt vast dat uit de gehoornotities van het CGVS blijkt dat aan de verzoeker weinig vragen werden gesteld over zijn leefomstandigheden na het verkrijgen van het internationale beschermingsstatuut in Griekenland. De RvV meent dat op die manier niet aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 57/6, § 3, 3° Vw is voldaan. De beslissing van het CGVS wordt vernietigd.

RvV arresten nr. 259.842 van 31 augustus 2021; nr. 260.134 van 3 september 2021; nr. 260.192 van 6 september 2021 

In drie verschillende beroepsprocedures wordt de RvV geconfronteerd met verzoekers om IB die beschikken over een internationaal beschermingsstatuut in Griekenland en hierdoor eerder in België een beslissing tot niet-ontvankelijk verzoek kregen op grond van artikel 57/6, §3, eerste lid, 3° Vw, maar die later alsnog een volgend verzoek om IB indienden in België. Ten aanzien van de drie verzoekers werd een beslissing tot niet-ontvankelijk verzoek genomen op grond van artikel 57/6/2, §1 Vw, omdat het CGVS van oordeel was dat er geen nieuwe elementen werden voorgelegd die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als vluchteling of voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt.

In arrest nr. 259.842 van 31 augustus 2021 stelt de RvV vast dat de verzoeker in het kader van zijn volgend verzoek om IB aan het CGVS nieuw beeldmateriaal met betrekking tot zijn levenssituatie in Griekenland voorlegde, en vervolgens bij aanvullende nota voor de RvV verschillende attesten neerlegt met betrekking tot zijn fragiele mentale gezondheid. De RvV oordeelt dat hoewel deze elementen met betrekking tot zijn kwetsbaarheid slechts kort werden aangehaald, deze elementen door het CGVS niet afdoende in rekening werden gebracht. In het licht van zijn gezondheidsproblemen, acht de RvV het onderzoek door het CGVS naar de leefomstandigheden van de verzoeker in Griekenland te oppervlakking. De RvV meent dat deze elementen met betrekking tot zijn psychische gezondheid nieuwe elementen betreffen in de zin van artikel 57/6/2, §1 Vw en vernietigt de beslissing van niet-ontvankelijkheid.

In arrest nr. 260.134 van 3 september 2021 stelt de RvV vast dat ter ondersteuning van het volgend verzoek om IB verschillende documenten werden neergelegd die wijzen op de psychische kwetsbaarheid van de verzoeker en op diens kwetsbaar profiel. Deze elementen moeten volgens de RvV in rekening worden genomen bij het onderzoek van het volgend verzoek om IB van de betrokkene. Ook legde de verzoeker een begeleidende brief neer van NANSEN met nieuwe preciseringen over zijn ervaringen in Griekenland. De RvV meent dat deze elementen, en in het bijzonder de informatie met betrekking tot de diverse plaatsen waar de verzoeker geleefd heeft en de periode waarin hij op straat leefde in Griekenland, grondig onderzocht moeten worden door het CGVS. De RvV vernietigt de beslissing en stuurt het dossier terug naar het CGVS voor verder onderzoek, waarbij de informatie met betrekking tot de psychische toestand van verzoeker onderzocht moet worden.

In de zaak die aanleiding gaf tot arrest nr. 260.192 van 6 september 2021, werd eveneens een begeleidende brief van NANSEN met nieuwe preciseringen over zijn ervaringen in Griekenland overgemaakt aan het CGVS ter ondersteuning van het volgend verzoek om IB van de verzoeker. Via een aanvullende nota werden aan de RvV rapporten voorgelegd met betrekking tot de mentale kwetsbaarheid van de betrokkene. De RvV besluit dat deze nieuwe elementen door het CGVS onderzocht moeten worden en vernietigt de beslissing van niet-ontvankelijkheid.

 
Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen