11 september 2019

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) oordeelt in arrest nr. 222.049 van 28 mei 2019 dat een voorbereidend taaljaar niet volstaat voor het verlengen van een verblijfsrecht als derdelands student. De derdelands student moet aantonen toegelaten te zijn tot het volgen van een voltijdse opleiding aan een hogere onderwijsinstelling. Een voorbereidend (taal)jaar kan enkel leiden tot een verblijfsrecht als derdelands student wanneer een bewijs van toelating voorligt voor het volgen van een opleiding aan een hogere onderwijsinstelling waarvoor het de voorbereiding is.

Feiten

Een Kameroenees verblijft sinds 2011 in België als derdelands student waar hij een master of Science in Management aan de VUB behaalde. Daarop volgde hij een postgraduaat Information Systems Management. Zijn verblijf als student werd jaarlijks verlengd tot 31 oktober 2018. Hij vroeg op 27 september 2018 de verlenging van zijn A-kaart als derdelands student. Voor het academiejaar 2018-2019 schreef hij zich in voor een voorbereidend taaljaar Nederlands bij Linguapolis.

Op 5 februari 2019 kreeg hij een bevel om het grondgebied te verlaten. Volgens Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) voldeed de verzoeker niet langer aan de voorwaarden om zijn verblijf te verlengen als student. Verzoeker schreef zich in voor een voorbereidend taaljaar Nederlands zonder zijn studieplannen in een volgend academiejaar toe te lichten.

Beoordeling RvV

De RvV bevestigt de bestreden beslissing van DVZ. De RvV oordeelt dat om als student beschouwd te worden, de verzoeker moet aantonen toegelaten te zijn tot het volgen van een voltijdse opleiding aan een hogere onderwijsinstelling. Een voorbereidende opleiding in functie daarvan is toegelaten. Maar indien geen bewijs van toelating voorligt voor het volgen van een opleiding aan een hogere onderwijsinstelling waarvoor het taaljaar een voorbereiding is, volstaat het voorbereidend taaljaar niet.

De verzoeker motiveerde bij de aanvraag voor de verlenging van zijn verblijf als student niet waarom hij het voorbereidend taaljaar wou volgen en voor welke opleiding het als voorbereiding fungeerde. Hij legde ook geen attest van toelating voor of een gedetailleerd studieplan.

Voor de RvV verklaart de verzoeker het voorbereidend taaljaar te volgen in functie van een master in het Informatiemanagement. Hij legt daar ook een informatieblad over die opleiding voor. Diezelfde informatie werd echter niet voorgelegd bij de aanvraag tot verlenging van het verblijf. DVZ kon enkel de aangebrachte gegevens beoordelen. Van DVZ kon niet verwacht worden de aanvraag te stofferen door zelf onderzoeksdaden te stellen.

De beslissing van DVZ schendt dus niet de bepalingen uit de Verblijfswet over het verblijf van derdelands studenten, en evenmin de motiveringsplicht, het zorgvuldigheids- of redelijkheidsbeginsel. Om die reden bevestigt de RvV de bestreden beslissing van DVZ.