6 juni 2014

Unieburgers en onderdanen van de EER hebben principieel toegang tot overheidsbetrekkingen (behalve tot functies die openbaar gezag uitoefenen). Want het Europese principe van vrij verkeer van werknemers heeft voorrang op het Belgische recht, ook op de Grondwet. Dat stelt de Raad van State in zijn arrest van 31 maart 2014.

Voor sommige bevoorrechte vreemdelingen vindt de Raad van State (RvS) het niet duidelijk of zij toegang moeten hebben tot overheidsfuncties. De RvS stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over Zwitsers, over Turkse werknemers en hun gezin, en over langdurig ingezetenen.

Alle andere vreemdelingen mogen volgens de RvS wel uitgesloten worden van overheidsbetrekkingen.

Arrest van 31 maart 2014

De verzoeker vroeg aan de Raad van State om artikel 30 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010 te vernietigen omdat het in strijd is met artikel 10, tweede lid van de Grondwet.

Het besluit van de Vlaamse Regering bepaalde dat OCMW-functies niet alleen openstaan voor Belgen, maar ook voor Unieburgers en andere vreemdelingen. De verzoeker meende dat dit strijdig is met het grondwettelijk principe dat alleen Belgen benoembaar zijn tot burgerlijke en militaire bedieningen, behoudens wettelijke uitzonderingen (artikel 10, tweede lid van de Grondwet).

Volgens de Raad van State zijn ‘burgerlijke en militaire bedieningen’ overheidsbetrekkingen in ruime zin van het woord. Functies bij het OCMW vallen daar ook onder.

Beslissing RvS over Unieburgers en EER-onderdanen

De Raad heeft bepaald dat Unieburgers of onderdanen van een lidstaat van de EER wel toegang moeten hebben tot functies bij het OCMW, en in het algemeen tot overheidsbetrekkingen, zolang de functie geen rechtstreekse of onrechtstreekse deelname aan de uitoefening van het openbaar gezag inhoudt. De Raad van State noch het Hof van Justitie maken daarbij een onderscheid tussen statutaire of contractuele functies.

Het Belgische recht, en ook de Grondwet, moeten immers geïnterpreteerd worden conform het Europese recht. Daaronder valt ook het vrij verkeer van werknemers (artikel 45 VWEU). Het voorrecht van Belgen voor alle overheidsbetrekkingen is strijdig met dat principe.

Er is dan ook geen schending van artikel 10, tweede lid van de Grondwet wat betreft Unieburgers en onderdanen van een lidstaat van de EER. 

Prejudiciële vraag RvS over bevoorrechte derdelanders

Voor sommige andere vreemdelingen is het niet duidelijk of zij toegang kunnen hebben tot OCMW-functies. Het gaat om Zwitserse onderdanen, bepaalde Turkse werknemers en hun familieleden en vreemdelingen met het statuut van langdurig ingezetene dat toegekend is door een andere lidstaat dan België. 

Voor deze vreemdelingen werden er akkoorden gesloten met de EU. Maar de draagwijdte van de Europese regels voor deze categorieën van vreemdelingen is niet helemaal duidelijk. Daarom stelde de Raad een aantal prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Deze zijn nog niet beantwoord.

Beslissing RvS over andere vreemdelingen

Alle andere vreemdelingen hebben, conform artikel 10, tweede lid van de Grondwet, geen toegang tot functies bij het OCMW, en meer algemeen tot overheidsbetrekkingen.

De Raad vernietigt daarom artikel 30 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010, voor zover het functies bij het OCMW openstelt voor die vreemdelingen.