20 december 2021

Wanneer niet voldaan is aan de nationale voorwaarden voor gezinshereniging, zoals de bestaansmiddelenvoorwaarde, kan een meerderjarig derdelands familielid van een statische Unieburger toch een verblijfsrecht hebben op grond van artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Dat is het geval wanneer er tussen beiden een zodanige afhankelijkheid bestaat dat de statische Unieburger de Europese Unie zou moeten verlaten mocht zijn familielid geen verblijfsrecht krijgen. Deze afhankelijkheid moet niet noodzakelijk financieel zijn van aard, maar kan bijvoorbeeld ook materieel, logistiek of affectief zijn. Dat volgt uit een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV, 27 mei 2021, nr. 255.139) dat gebaseerd is op rechtspraak van het Hof van Justitie (HvJ, 27 februari 2020, nr. C-836/18). Deze rechtspraak heeft verregaande gevolgen en creëert een ruimer recht op gezinshereniging voor ‘afhankelijke’ familieleden van statische Belgen.

Feiten

Een meerderjarige Russische man met een handicap vraagt gezinshereniging met zijn Belgische moeder. Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) weigert de aanvraag omdat niet voldoende bewezen is dat de zoon financieel ten laste is van de moeder. Ook voldoet de moeder volgens DVZ niet aan de bestaansmiddelenvoorwaarde.

Omdat de vader van de man overleden is en zijn voogd in Rusland, die steeds voor hem zorgde, zelf ziek geworden is, zou de moeder naar eigen zeggen verplicht zijn België te verlaten om voor haar zoon in Rusland te zorgen. Aangezien dit een schending zou zijn van artikel 20 VWEU dient de man een beroep in bij de RvV.

Beoordeling RvV

De RvV past de rechtspraak toe van het HvJ in het arrest RH van 27 februari 2020 (C-836/18). Het HvJ bouwt in dit arrest voort op zijn K.A.-rechtspraak (HvJ 8 mei 2018, K.A., nr. C-82/16, hierover lees je meer in dit nieuwsbericht). Volgens het HvJ kan een derdelands familielid van een statische Unieburger in zeer bijzondere situaties een verblijfsrecht krijgen in de lidstaat waarvan de Unieburger onderdaan is, hoewel niet voldaan is aan de nationale voorwaarden voor gezinshereniging.

Verblijfsrecht voor derdelands familielid afhankelijk van statische Unieburger (artikel 20 VWEU)

Het burgerschap van de Unie (artikel 20 VWEU) verleent elke Unieburger een fundamenteel en persoonlijk recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten (binnen de beperkingen van het Verdrag en de regels ter uitvoering daarvan). Het HvJ heeft geoordeeld dat artikel 20 VWEU zich verzet tegen nationale maatregelen, waaronder weigeringen van verblijf aan derdelands familieleden van Unieburgers die tot gevolg hebben dat aan Unieburgers het effectieve genot ontzegd wordt van de voornaamste aan hun status ontleende rechten (zoals het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten). 

Volgens het HvJ bestaan er zeer bijzondere situaties waarin een verblijfsrecht moet worden toegekend aan een derdelands familielid van een Unieburger, ook al heeft de Unieburger zijn recht van vrij verkeer niet uitgeoefend. Dat is het geval wanneer aan het burgerschap van de Unie de nuttige werking ontnomen zou worden doordat de Unieburger, ten gevolge van de weigering om een verblijfsrecht te geven aan zijn derdelands familielid, feitelijk gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten. De weigering om aan een derdelander een verblijfsrecht toe te kennen kan echter alleen afbreuk doen aan het nuttige effect van het burgerschap van de Unie wanneer er tussen de Unieburger en zijn derdelands familielid een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat deze ertoe zou leiden dat de Unieburger gedwongen is de derdelander te vergezellen en het grondgebied van de Unie te verlaten.

De toekenning van een (afgeleid) verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU kan wel maar overwogen worden wanneer het derdelands familielid van een statische Unieburger niet voldoet aan de voorwaarden van de nationale regels gezinshereniging, en op die basis dus geen verblijfsrecht kan bekomen in de lidstaat van de Unieburger.

Afhankelijkheidsband

In het arrest K.A. (C-82/16) van 8 mei 2018 stelde het HvJ dat er slechts uitzonderlijk sprake is van een afhankelijkheidsverhouding tussen een meerderjarige Unieburger en een derdelands familielid in de zin van artikel 20 VWEU. Dat is alleen het geval als de Unieburger op geen enkele wijze gescheiden kan worden van het derdelands familielid, gelet op alle relevante omstandigheden.

De afhankelijkheidsband moet niet noodzakelijk bestaan uit een financiële tenlastenneming: het kan ook gaan om een materiele, logistieke of affectieve afhankelijkheid.

DVZ moet met alle relevante omstandigheden rekening houden.

Verblijfsrecht op basis van artikel 20 VWEU niet absoluut: mogelijke uitzonderingen

Het verblijfsrecht dat voortvloeit uit artikel 20 VWEU is niet absoluut.

Lidstaten kunnen hierop uitzonderingen maken in het kader van de bescherming van de openbare orde en veiligheid. Wanneer het derdelands familielid strafbare feiten pleegde en er sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde of veiligheid, laat het Unierecht lidstaten toe het verblijfsrecht te weigeren ook al zou die weigering de Unieburger verplichten het grondgebied van de Unie te verlaten.

Het verblijfsrecht op basis van artikel 20 VWEU mag echter niet geweigerd worden aan een afhankelijk derdelands familielid enkel en alleen omdat de Unieburger over onvoldoende bestaansmiddelen beschikt. Dit zou een onevenredige aantasting zijn van het effectieve genot van de belangrijkste rechten verbonden aan het Unieburgerschap. Het louter economisch doel dat hiermee nagestreefd wordt, verschilt volgens het HvJ fundamenteel met het doel om de openbare orde en veiligheid te waarborgen.

Onderzoek van de afhankelijkheid

Het HvJ oordeelde dat lidstaten zelf de procedurevoorschriften bepalen om vast te stellen of er sprake is van een afgeleid verblijfsrecht, maar dat deze geen afbreuk mogen doen aan de nuttige werking van artikel 20 VWEU. De nationale instanties hebben geen verplichting om systematisch en uit eigen beweging na te gaan of er sprake is van een afhankelijksheidsverhouding in de zin van artikel 20 VWEU. Het is dus aan het derdelands familielid om bewijzen van afhankelijkheid in de zin van artikel 20 VWEU aan te brengen. Lidstaten mogen het familielid niet verhinderen om op eigen initiatief bewijzen aan te dragen. De instanties moeten op basis van de gegevens die overgemaakt worden en zo nodig door zelf opzoekingen te verrichten, nagaan of er een afhankelijkheidsverhouding bestaat die de toekenning vereist van een verblijfsrecht in de zin van artikel 20 VWEU. Het is bijgevolg niet toelaatbaar, zonder de overgelegde bewijzen van afhankelijkheid te onderzoeken, een aanvraag gezinshereniging van een familielid van een statische Unieburger automatisch af te wijzen omdat niet voldaan is aan de nationale bestaansmiddelenvoorwaarde.

DVZ had zich volgens de RvV niet mogen beperken tot de vaststelling dat het familielid niet financieel ten laste was van zijn Belgische moeder en dat zij onvoldoende bestaansmiddelen had. DVZ had het onderzoek moeten uitbreiden tot de andere afhankelijkheden die aangevoerd werden, zoals de nood aan verzorging en de mentale en sociale afhankelijkheid ten gevolge van de handicap van de gezinshereniger.

De RvV vernietigt om deze reden de weigering van DVZ.

Gevolgen voor België?

Uit bovenstaande rechtspraak volgt dat derdelands familieleden van een statische Belg soms een ruimer recht hebben op gezinshereniging dan voorzien in huidig artikel 40ter, §2 Vw. Bij bewezen afhankelijkheid van de Belg die ze willen begeleiden of vervoegen zal DVZ het verblijfsrecht toch moeten erkennen ook al is niet voldaan aan (één of meerdere van) de voorwaarden voor gezinshereniging (bv. bestaansmiddelen – voldoende huisvesting – ziekteverzekering – ten laste in herkomstland). Deze afhankelijkheid kan in beide richtingen bestaan: het derdelands familielid ten aanzien van de Unieburger, maar ook omgekeerd.

De huidige procedure gezinshereniging met een statische Belg voorziet niet systematisch in een onderzoek van onderlinge afhankelijkheid in de zin van artikel 20 VWEU: de aanvrager die zich hierop wil beroepen zal dit dus zelf proactief moeten inroepen en bewijzen bij zijn aanvraag.