19 december 2022

Laatst bijgewerkt 24-1-2024

In een arrest van 24 november 2022 stelt het Grondwettelijk Hof een discriminatie vast in de woonplaatsvoorwaarde voor de Brusselse gezinsbijslag. Het Hof verklaart ongrondwettig dat de woonplaatsvoorwaarde uit de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 alleen voldaan is als de woonplaats blijkt uit de gegevens van het Rijksregister zoals de definitie in artikel 3, 4° van de ordonnantie bepaalt. De woonplaatsvoorwaarde is niet van toepassing op kinderen die vóór 1 januari 2020 recht hadden op de ‘oude’ federale gezinsbijslagen, wiens hoofdverblijfplaats niet geregistreerd staat in het Rijksregister in een Brusselse gemeente maar er wel daadwerkelijk verblijven.

Het Grondwettelijk Hof sprak zich in 2023 in twee arresten opnieuw uit over de woonplaatsvoorwaarde: Lees ons artikel 'GwH: woonplaatsvoorwaarde Brusselse gezinsbijslag discrimineert kinderen met ambtelijke schrapping' en lees ons artikel 'GwH: woonplaatsvoorwaarde Brusselse gezinsbijslag discrimineert kinderen zonder inschrijving in de bevolkingsregisters'.

Regionalisering van de gezinsbijslagen

Sinds 1 januari 2019 is de bevoegdheid voor gezinsbijslagen geregionaliseerd. In Brussel bleef het federale systeem van gewone en gewaarborgde gezinsbijslag echter nog van toepassing tot 1 januari 2020. Op 1 januari 2020 trad de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag in werking.

Een belangrijk verschil tussen de ‘oude’ federale regeling en deze ‘nieuwe’ Brusselse regeling is dat het recht niet langer gekoppeld is aan de professionele situatie van de ouders. Het kind moet volgens artikel 4 van de ordonnantie een woonplaats hebben in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Om hieraan te voldoen, moet het kind:

  • hoofdverblijfplaats hebben in het Brussel Hoofdstedelijk Gewest én moet deze hoofdverblijfplaats blijken uit het rijksregister
  • daadwerkelijk en hoofdzakelijk op die plaats verblijven. 

Dit volgt uit de definitie van “woonplaats” uit artikel 3, 4° van de ordonnantie.

Het was onder de federale regeling mogelijk dat ouders kinderbijslag kregen voor kinderen zonder wettig verblijf, omdat er geen voorwaarde van wettig verblijf bestond voor de kinderen in kwestie. Om te vermijden dat deze kinderen hun kinderbijslagen zouden verliezen, bepaalde de Brusselse regelgever in artikel 37 van de ordonnantie dat kinderen die in december 2019 (net voor de Brusselse regeling zou in werking treden) recht hadden op kinderbijslag, automatisch zouden voldoen aan de verblijfsvoorwaarde voor de nieuwe, Brusselse kinderbijslagregeling. De regelgever voorzag echter geen gelijkaardige bepaling voor de woonplaatsvoorwaarde.

Grondwettelijk Hof

In het arrest van 24 november 2022 toetste het Grondwettelijk Hof de woonplaatsvoorwaarde in de Brusselse kinderbijslagregeling aan de grondwettelijke gelijkheids- en non-discriminatiebeginselen. De Grondwet bepaalt dat gelijkaardige situaties niet verschillend behandeld mogen worden, tenzij deze behandeling gebaseerd is op een objectief criterium en redelijk verantwoord is.

Het Hof besloot dat alle kinderen die daadwerkelijk in Brussel wonen zich in gelijkaardige situaties bevinden, ongeacht of ze wel of niet zijn ingeschreven in het Rijksregister. Toch worden zij verschillend behandeld, omdat alleen de kinderen die ingeschreven zijn, voldoen aan de woonplaatsvoorwaarde van de Brusselse gezinsbijslag. Het Hof stelt dat dit verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is. Een belangrijke overweging was de wens van de Brusselse regelgever om kinderen zonder wettig verblijf het recht op kinderbijslag niet te ontnemen als zij hier voor 1 januari 2020 recht op hadden.

De woonplaatsvoorwaarde in de Brusselse kinderbijslagregeling is dus discriminerend tegenover kinderen die in Brussel wonen zonder er ingeschreven te zijn in het rijksregister.