21 november 2023

Een kind geboren in België dat op gelijk welk ogenblik voor de leeftijd van achttien jaar of voor de ontvoogding voor die leeftijd, geen andere nationaliteit bezit, is Belg op basis van artikel 10 van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit (WBN). Alleen de ambtenaren van de burgerlijke stand (ABS) van de gemeente van geboorteplaats van het kind en eventueel de rechtbanken zijn bevoegd voor de toepassing van dit artikel. In de praktijk stellen we vast dat de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) adviezen en instructies geeft aan de ABS, bijvoorbeeld om de registratie van de Belgische nationaliteit ongedaan te maken bij kinderen van Palestijnse origine die geboren zijn in België. Nochtans kent het WBN hierover op geen enkele manier een bevoegdheid toe aan de DVZ. Deze adviezen en instructies zijn dan ook onwettig.

Staatloosheid tegengaan door van rechtswege toekenning Belgische nationaliteit  

Artikel 10 WBN stelt:

“§ 1. Belg is het kind geboren in België en dat, op gelijk welk ogenblik voor de leeftijd van achttien jaar of voor de ontvoogding voor die leeftijd, geen andere nationaliteit bezit.

Het eerste lid zal evenwel niet van toepassing zijn indien het kind een andere nationaliteit kan verkrijgen, mits zijn wettelijke vertegenwoordiger(s) administratieve handelingen verrichten bij de diplomatieke of consulaire overheden van het land van de ouders of van één van hen.

De wettelijke vertegenwoordiger van het kind zendt alle nuttige stukken waarover hij beschikt over aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het kind geboren is. In geval van twijfel over het ontbreken van nationaliteit van het kind, vraagt de ambtenaar van de burgerlijke stand het advies van de procureur des Konings. In dat geval zendt hij hem een afschrift van het dossier. Het advies wordt op korte termijn verstrekt door de procureur des Konings.

§ 2. Het in België gevonden pasgeboren kind wordt, behoudens tegenbewijs, verondersteld in België te zijn geboren.

§ 3. Het kind aan wie de Belgische nationaliteit krachtens dit artikel is toegekend, behoudt die nationaliteit zolang niet is aangetoond, voordat het de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is voor die leeftijd, dat het een vreemde nationaliteit bezit.”

Artikel 10 WBN wil staatloosheid tegengaan door de Belgische nationaliteit toe te kennen aan kinderen die in België geboren worden zonder nationaliteit. Die toekenning gebeurt van rechtswege. Dat wil zeggen dat het kind Belg is zonder dat een aanvraag door de ouders nodig is, zodra vaststaat dat het kind geen andere nationaliteit heeft. Het is de ambtenaar van de burgerlijke stand (ABS) die moet onderzoeken of het kind al dan niet een nationaliteit heeft. De ouders of voogd van het kind moeten meewerken aan dit onderzoek.

Sinds 31 december 2022 is de term ‘staatloos’ vervangen door ‘geen andere nationaliteit bezit’. Hiermee wilde de wetgever benadrukken en verduidelijken dat het voor de toepassing van art. 10 WBN niet nodig is dat het kind door de familierechtbank erkend wordt als staatloze. Het is de ABS die zelf onderzoekt of het kind een nationaliteit heeft.

Sinds 31 december 2022 is uitsluitend de gemeente van geboorteplaats van het kind bevoegd om art. 10 WBN te onderzoeken. De wetgever wilde hiermee zorgen voor meer uniformiteit in de toepassing van art. 10 WBN. Voorts wou hij een vorm expertiseopbouw faciliteren bij de gemeenten met een kraamafdeling en bij de parketten waaraan in geval van twijfel een advies gevraagd kan worden. Ook wou de wetgever bevoegdheidsproblemen vermijden tussen verschillende gemeenten bijvoorbeeld tussen de gemeente van de geboorteplaats en die van de woonplaats van het kind. Ondanks die wil van de wetgever, stellen we in praktijk vast dat gemeenten de vraag toch naar elkaar blijven doorspelen. Hierdoor blijft het soms lang duren vooraleer de nationaliteit van het kind bepaald wordt.

Staatloos of Palestijnse nationaliteit?

Voor kinderen geboren in België uit Palestijnse ouders, is de vraag of en welke nationaliteit zij hebben.

Artikel 1 van het Verdrag betreffende de status van staatlozen van 1954 (Staatlozenverdrag) bepaalt dat een staatloze een persoon is die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd. Op basis van wetgeving moet kunnen vastgesteld worden of iemand al dan niet een nationaliteit heeft. Alleen het interne recht van een staat kan bepalen of iemand wel of niet onderdaan is van die staat.

Wanneer de ABS dus zou bepalen dat een kind de Palestijnse nationaliteit heeft, moet de ambtenaar ook de Palestijnse interne rechtsbron aanduiden op basis waarvan hij dat bepaalt. Er bestaat op dit moment echter geen Palestijnse nationaliteitswetgeving en het is onduidelijk welke autoriteit bevoegd zou zijn om een nationaliteitswetgeving op te stellen (zie o.m. M. QAFISHEH, Palestine: Membership in the United Nations: Legal and Practical Implications, Cambridge Scholars, Newcastle, 2013, 373; L. BANKO, Routledge Handbook of Global Citizenship Studies, Routledge, New York, 2014, 322; A. KHALIL, Palestinian Nationality and Citizenship, CARIM Research 2007/07). Het is dan ook onmogelijk om juridisch vast te stellen dat een kind de Palestijnse nationaliteit heeft ‘krachtens wetgeving’. Ook een attest van de Palestijnse Missie voor België en Luxemburg bij de EU dat “elk kind geboren uit een Palestijnse vader of Palestijnse moeder, Palestijn is” is niet sluitend. Het is immers niet duidelijk wat er juist bedoeld wordt: is het kind van Palestijnse origine? Of heeft het de Palestijnse nationaliteit? En is deze Missie wel bevoegd om te attesteren, nu er geen Palestijnse nationaliteitswetgeving is die bepaalt wie de Palestijnse nationaliteit heeft en welke instantie bevoegd is? 

Het Hof van Cassatie vernietigde op 26 februari 2021 al een arrest van het hof van beroep van Gent omwille van gebrekkige motivering, omdat het hof van beroep naliet om de concrete Palestijnse wetgeving toe te voegen wanneer het hof wel beweerde dat de eiser de Palestijnse nationaliteit bezat ‘op grond van het aldaar toepasselijke recht’.

Onderaan dit artikel in “meer info” vind je een overzicht van rechtspraak over dit thema en ook de artikelen waarin we deze besproken hebben.

DVZ en ABS woonplaats niet bevoegd, ABS geboorteplaats en rechtscolleges wel bevoegd

Het is duidelijk dat de DVZ niet bevoegd is om te bepalen of een kind de Belgische nationaliteit heeft. Het WBN legt deze bevoegdheid uitsluitend bij de ABS en eventueel, in beroep, bij de rechtscolleges.

In de praktijk stellen we dat vast dat de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) soms adviseert of zelfs instructies geeft over deze kwestie. We vernamen ook via verschillende kanalen dat de DVZ aan ABS vraagt om de Belgische nationaliteit van kinderen geboren in België uit Palestijnse ouders terug in te trekken. Dit is onwettig.

De DVZ heeft hierin géén advies- of instructiebevoegdheid. De gemeente van geboorteplaats en eventueel de rechtscolleges in beroep zijn bevoegd om artikel 10 WBN te onderzoeken en eventueel vast te stellen dat het kind vóór de leeftijd van 18 jaar een andere nationaliteit heeft, en de Belgische dus verliest. De gemeente van woonplaats of de DVZ zijn op geen enkel moment bevoegd voor de toepassing van artikel 10 WBN.

De procedure tot intrekking van de op basis van artikel 10 WBN toegekende Belgische nationaliteit wanneer het kind vóór zijn 18e verjaardag een andere nationaliteit heeft, is niet specifiek omschreven in artikel 10 WBN. Als de ABS zou beslissen dat het kind de Palestijnse nationaliteit heeft, zal deze moeten aantonen wat de juridische bronnen zijn waarop hij zich daarvoor baseert. Zoals we hoger schreven, bestaat er geen Palestijnse nationaliteitswetgeving. Het is dan ook niet vast te stellen uit welke juridische bron een toekenning van de Palestijnse nationaliteit dan wel zou volgen.

Survey

Een masterstudent van de UGent onderzoekt de toepassing van artikel 10 WBN. Ben je ambtenaar bij een gemeente en behandel je dergelijke dossiers of heb je hier expertise in? Neem deel aan de enquête!