Raad van State
245.654
Art. 9bis Vw. – onontvankelijk - inreisverbod - HvJ 26 juli 2017, C-225/16, Ouhrami – aanvang inreisverbod – HvJ 8 mei 2018, nr. C-82/16, K.A. – a fortiori ook van toepassing op 9bis – geen schending door 9bis niet in aanmerking te nemen wegens inreisverbod – gegrond – vernietiging

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in antwoord op een prejudiciële vraag in zijn arrest van 8 mei 2018 in de zaak C-82/16, K.A. en anderen tegen België, gesteld dat richtlijn 2008/115, met name de artikelen 5 en 11 ervan, “aldus [moet] worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een praktijk van een lidstaat die inhoudt dat hij een verblijfsaanvraag met het oog op gezinshereniging die op zijn grondgebied is ingediend door een derdelander, familielid van een Unieburger die de nationaliteit van die lidstaat bezit en zijn recht op vrij verkeer nooit heeft uitgeoefend, niet in aanmerking neemt op de enkele grond dat deze derdelander de toegang tot het grondgebied is verboden”. Uit het arrest blijkt geen onderscheid tussen derdelanders aan wie een inreisverbod was opgelegd naargelang zij al dan niet het grondgebied van de lidstaten daadwerkelijk hebben verlaten. Vermits het Hof deze praktijk in principe toelaat voor aanvragen met betrekking tot het recht op gezinshereniging, is ze a fortiori toegelaten voor aanvragen om machtiging tot verblijf, zoals te dezen het geval is.

 

Waar het Hof in zijn arrest wel onderzoekt of artikel 20 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zich verzet tegen die praktijk en aanneemt dat dit in bepaalde gevallen wel het geval kan zijn, moet worden opgemerkt  dat het enkel ging om aanvragen tot gezinshereniging met een burger van de Unie wiens rechten in het gedrang zouden komen. Te dezen betreft het echter geen aanvraag tot gezinshereniging, noch een andere aanvraag waarop het recht van de Unie van toepassing zou zijn, zodat die beoordeling niet relevant is voor de huidige zaak.

 

Uit het voorgaande volgt dat de verzoekende partij met de aanvankelijk bestreden beslissing artikel 9bis van de vreemdelingenwet niet heeft geschonden door de met toepassing van die bepaling ingediende aanvraag om machtiging tot verblijf niet in aanmerking te nemen, omdat aan de verweerders een inreisverbod was opgelegd.

 

Derhalve heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het voornoemde artikel 9bis van de vreemdelingenwet geschonden door te oordelen dat de verwerende partij ertoe was gehouden alle buitengewone omstandigheden te onderzoeken die de verweerders hadden aangevoerd om hun aanvraag in te dienen bij de burgemeester van de plaats waar zij verblijven.

 

Het enige middel is in die mate gegrond en deze vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest.