Raad van State
247.555
Gezinshereniging – wettelijk samenwonende partner van een Belg – art. 40ter, § 2, 1° Vw. - geen liefdespartners – partnerrelatie niet hetzelfde als liefdesrelatie – naar behoren geattesteerde duurzame en stabiele partnerrelatie – werkelijk samenlevingsproject als koppel – gegrond - vernietiging

De Raad van State bevestigt de verzoeker in haar gelijk dat de partnerrelatievereiste in artikel 40bis, §2, 2°, a Vreemdelingenwet geen liefdesrelatie impliceert. De voornoemde bepaling vereist een ‘duurzame en stabiele partnerrelatie’. Artikel 40bis Vreemdelingenwet is ingevoerd bij wet van 25 april 2007 teneinde het toepassingsgebied van gezinshereniging uit te breiden. In de parlementaire voorbereidingen van de wet van 25 april 2007 is enkel sprake van een ‘relatie van samenleven tussen personen van een verschillend of van hetzelfde geslacht’ en dus niet van een ‘liefdesrelatie’. Evenmin is dit het geval in de aangehaalde omzendbrief van 30 september 1997 welke een aantal vereisten heeft gesteld omtrent het bewijs van de ‘duurzame relatie’. Ook de artikelen 1475 e.v. BW waar in de memorie van toelichting naar wordt verwezen bevatten zulke vereiste niet. Het in het ministerraad overlegd KB van 17 mei 2007 welk de criteria inzake het subtiel karakter van de relatie heeft bepaald is vernietigd bij een arrest van de Raad van State (cfr. RvS 26 februari 2010, nr. 201.374).

 

Daarenboven, de bijkomende voorwaarden voor gezinshereniging zijn ‘aanzienlijk uitgebreid’ met de wet van 8 juli 2011. Ook in artikel 40bis komt die uitbreiding van voorwaarden tot uitdrukking: het enge woord ‘relatie’ is vervangen door het ruimere ‘partnerrelatie’. Ook de wet van 8 juli 2011 en de daaraan voorafgegane parlementaire werkzaamheden geven niet aan dat het om een ‘liefdesrelatie’ gaat. Wel heeft hebben die voorbereidende werkzaamheden verduidelijkt dat de ‘duurzame en subtiele partnerrelatie’ betrekking heeft op een ‘één-op-één-relatie’ en dus niet op ‘het louter bieden van onderdak’.

 

Gelet op het voorgaande oordeelt de Raad dat wat de aard van de (partner)relatie betreft, het om een relatie van samenwonen en om een één-op-één-relatie dient te gaan. Aldus, een werkelijk samenlevingsproject als koppel en in geen geval om een schijnrelatie met het oog op het verwerven van een verblijfsrecht. Voor het overige dient te worden teruggevallen op de concreet opgesomde voorwaarden van artikel 40bis Vreemdelingenwet.

 

Door de vereiste van ‘partnerrelatie’ gelijk te stellen met ‘liefdesrelatie’, zonder de voorgaande elementen te onderzoeken, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onterecht een voorwaarde toegevoegd aan artikel 40bis, §2, 2° Vreemdelingenwet.

 

Het enige middel is in die mate gegrond. Het bestreden arrest wordt vernietigd.