Raad van State
247.140
Verzoeker om internationale bescherming – toekenning subsidiaire bescherming door RvV – Syrië – voordeel van de twijfel – niet gestaafd - art. 48/6, § 4 Vw. – cumulatieve voorwaarden – toets aan algemene geloofwaardigheid en niet slechts één element van asielrelaas – uit bestreden arrest blijkt dat niet voldaan aan algemene geloofwaardigheid – vernietiging

Artikel 48/6, § 4, van de Vreemdelingenwet luidt:

“Wanneer de verzoeker bepaalde aspecten van zijn verklaringen niet staaft met schriftelijke of andere bewijzen, behoeven deze aspecten geen bevestiging indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan :

a) de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;

b) alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn voorgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere bewijskrachtige elementen;

c) de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met de algemene en specifieke informatie die gekend en relevant is voor zijn verzoek;

d) de verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, of hij heeft goede redenen kunnen aanvoeren waarom hij nagelaten heeft dit te doen;

e) de algemene geloofwaardigheid van de verzoeker is komen vast te staan.”

 

Er wordt derhalve uitdrukkelijk bepaald dat, wanneer een verzoeker om internationale bescherming bepaalde aspecten van zijn verklaringen niet staaft met bewijzen, deze aspecten geen bevestiging behoeven indien aan vijf “cumulatieve voorwaarden” is voldaan.

 

Bovendien wordt in artikel 48/6, § 1, van de vreemdelingenwet bepaald dat de door een verzoeker om internationale bescherming aan te brengen elementen onder meer omvatten “de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie of stukken in zijn bezit met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit(en), leeftijd, achtergrond, ook die van de relevante familieleden, land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumentatie en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient” en dat het ontbreken van de voornoemde elementen “een negatieve indicatie [vormt] met betrekking tot de algehele geloofwaardigheid van verzoekers relaas, tenzij de verzoeker een bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken ervan”.

 

In punt 3.5 van het bestreden arrest wordt het in artikel 48/6, § 4, van de vreemdelingenwet vermeld cumulatief karakter van de voorwaarden ook letterlijk bevestigd. Vervolgens wordt in punt 3.6 van het bestreden arrest echter overwogen:

“Uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat de Syrische nationaliteit van verzoekster op zich niet wordt betwist. Verzoekster biedt dan wel geen zicht op het tijdstip waarop zij Syrië definitief heeft verlaten, op de plaatsen waar zij vóór haar komst naar België verbleven heeft en op haar daadwerkelijke profiel en haar burgerlijke staat, schept evenmin klaarheid over haar reisweg naar Europa en legt documenten neer waarover zij zelf verklaart dat ze op frauduleuze wijze werden verkregen, zoals uitvoerig wordt uiteengezet in de bestreden beslissing, doch de Raad ontwaart in het administratief dossier niet het minste begin van bewijs waaruit kan worden afgeleid dat zij naast de Syrische tevens een andere nationaliteit zou bezitten dan wel dat zij elders eventueel over een verblijfsrecht zou beschikken of reeds een beschermingsstatus zouden bekomen hebben. De Raad is dan ook van oordeel dat in casu een ruime toepassing van het voordeel van de twijfel gerechtvaardigd is.”

 

Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de toepassing van het voordeel van de twijfel steunt op de geloofwaardigheid van één aspect van het asielrelaas doch ook vaststelt dat de andere - of een aantal andere - aangehaalde elementen uit het asielrelaas

ongeloofwaardig zijn.

 

Eén van de cumulatief opgesomde voorwaarden in artikel 48/6, § 4, van de vreemdelingenwet vormt “de algemene geloofwaardigheid” van de verzoeker om internationale bescherming. Vermits uit het bestreden arrest zelf blijkt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van die algemene geloofwaardigheid, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet op wettige wijze toepassing maken van het door die bepaling voorziene voordeel van de twijfel op grond van slechts één aspect van het asielrelaas, namelijk verweersters Syrische nationaliteit.