Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
237.903
Dublin III – Oostenrijk – verlenging termijn – art. 29.2 Dublin III-Vo. – onderduiking – risico op onderduiken - niet ondertekenen ‘verklaring vrijwillige terugkeer’ staat niet gelijk aan zich doelbewust onttrekken aan de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat - HvJ 19 maart 2019, C-163/17, Jawo – intentioneel element vereist – verzoekers hebben hun woonplaats niet verlaten – vernietiging

De Raad merkt op dat uit de motivering van de bestreden beslissingen duidelijk blijkt dat de verwerende partij toepassing heeft gemaakt van artikel 29.2 van de verordening nr. 604/2013. Voormeld artikel bepaalt dat de termijn – die in regel zes maanden bedraagt – om een vreemdeling die een verzoek om internationale bescherming indiende over te dragen aan de lidstaat die verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling van dit verzoek tot maximaal achttien maanden kan worden verlengd “indien de betrokkene onderduikt”.

 

Uit de motivering van de bestreden beslissingen blijkt tevens dat de verwerende partij de volgende vaststellingen doet:

- de verzoekende partijen werden op 19 februari 2020 ingelicht, via informatiebrieven, dat zij mee dienen te werken aan de organisatie van hun overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat en dat zij in dit kader ook hun meest recente contactgegevens dienen mee te delen (dit is volgens de verwerende partij een eerste stap is in de organisatie van hun overdracht);

- de verzoekende partijen hebben binnen de tien dagen geen ingevuld en getekend modelformulier “verklaring vrijwillige terugkeer” dat was gevoegd bij de informatiebrieven, met daarin hun uitdrukkelijk akkoord met de overdracht, bezorgd aan de verwerende partij.

 

De verwerende partij leidt uit deze vaststellingen af dat de verzoekende partijen er doelbewust voor proberen te zorgen dat een overdracht aan de betrokken lidstaat niet verder kan worden georganiseerd, wat verdere complicaties en organisatorische problemen met zich meebrengt voor de nationale overheid die de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat moet realiseren.

 

De verzoekende partijen betwisten dit alles. Zij stellen ten eerste dat het niet ondertekenen van de “verklaring vrijwillige terugkeer” niet gelijkstaat aan het zich doelbewust onttrekken aan de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat. Ze duiden dat het normaal is dat ze deze verklaring niet hebben ondertekend omdat ze een beroep hebben ingediend bij de Raad tegen de beslissingen tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten (bijlagen 26quater) en zij hun rechten in dit verband willen vrijwaren. In tweede instantie stellen ze dat het niet ondertekenen van de “verklaring vrijwillige terugkeer” niet kan gelijkstaan met de notie “onderduiken” in de zin van artikel 29.2. van de verordening 604/2013. Zij halen het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) aan om hun stelling kracht bij te zetten.

 

Het Hof van Justitie heeft in het arrest Jawo (HvJ 19 maart 2019, C-163/17, §§ 53-55) geoordeeld dat de verordening nr. 604/2013 “[a]angaande de vraag onder welke omstandigheden ervan kan worden uitgegaan dat de verzoeker „ondergedoken is” in de zin van artikel 29, lid 2, tweede zin, van de Dublin III-verordening, […] geen nadere toelichting verstrekt” ; dat deze verordening geen definitie van het begrip “onderduiken” bevat en “dat wanneer een bepaling van Unierecht voor een bepaald begrip niet naar het recht van de lidstaten verwijst, dat het begrip in de gehele Unie autonoom en uniform [moet worden] uitgelegd, waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de bewoordingen van de betrokken bepaling, maar ook met haar context en met het doel van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 8 maart 2018, DOCERAM, C-395/16, EU:C:2018:172, punt 20 en de aldaar aangehaalde rechtspraak)”.

 

(…)

 

De verzoekende partijen kunnen worden gevolgd waar zij stellen dat het verlengen van de termijn voor overdracht een uitzondering betreft en dat hieruit volgt dat deze bepaling restrictief dient te worden geïnterpreteerd.

 

Uit het arrest Jawo blijkt onder meer dat er een intentioneel element (het zich doelbewust onttrekken aan de overdrachtsprocedure) is vereist om te kunnen besluiten dat een vreemdeling onderduikt en dat dit intentioneel element wordt vermoed te bestaan indien de betrokken vreemdeling de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen terwijl hij geïnformeerd was over deze verplichting.

 

In casu werd niet vastgesteld dat de verzoekende partijen hun woonplaats hebben verlaten, zodat het vermoeden waarvan sprake is in bovenvermeld arrest niet speelt.

 

Er dient dus te worden onderzocht of de verwerende partij kon besluiten dat de verzoekende partijen de bedoeling hadden om zich te onttrekken aan de overdrachtsprocedure, op basis van de vaststelling dat dat zij de bij een informatiebrief gevoegde “verklaring vrijwillige terugkeer” niet hebben ingevuld en ondertekend.

 

Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de aan de verzoekende partijen meegedeelde informatiebrief de volgende vermelding bevat:

“indien u geen gevolg geeft aan deze instructie of hierna alsnog aangeeft niet te willen vertrekken naar de verantwoordelijke lidstaat, zal de termijn van het akkoord verlengd worden tot 18 maanden, zoals bepaald in artikel 29.2 van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (…)”. Verder wordt aan de verzoekende partijen in de bij de informatiebrief gevoegde “verklaring vrijwillige terugkeer” gevraagd om hun adres, emailadres en telefoonnummer op te geven. Tevens bevat de “verklaring vrijwillige terugkeer” de vermelding “Hierbij, verklaar ik, ondergetekende, mijn medewerking te zullen verlenen aan mijn overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat met de hulp van de Dienst Vreemdelingenzaken.”

 

Het wordt niet betwist dat de verzoekende partijen de hen meegedeelde “verklaring vrijwillige terugkeer” niet hebben ingevuld, noch ondertekend.

 

Evenwel blijkt uit de stukken van het administratief dossier dat de verzoekende partijen, middels de tussenkomst van hun advocaat, de verwerende partij binnen de tien dagen na ontvangst van de “verklaring vrijwillige terugkeer” op de hoogte hebben gesteld van de redenen waarom zij dit document niet wensen in te vullen en te ondertekenen, met name omdat zij een beroep hadden ingediend tegen de beslissingen tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten (bijlagen 26quater), dat door de Raad mogelijk onontvankelijk zou worden verklaard wegens gebrek aan belang indien zij expliciet zouden verklaren vrijwillig te willen “terugkeren” naar de verantwoordelijke lidstaat. De verzoekende partijen hebben in hun schrijven uiteengezet dat de ondertekening van de “verklaring vrijwillige terugkeer” hen een effectief rechtsmiddel zou ontnemen. Daarbij vermelden zij ook uitdrukkelijk waar zij verblijven en delen zij aan de verwerende partij mee dat mocht er een adreswijziging plaatsvinden, zij haar hiervan op de hoogte zullen stellen.

 

De verzoekende partijen hebben derhalve wel degelijk hun “meest recente en volledige contactgegevens” meegedeeld, hetgeen overigens niet wordt betwist door de verwerende partij, zodat deze laatste wist waar de verzoekende partijen verblijven.

 

Gelet op wat voorafgaat, stelt de Raad vast dat uit het niet ondertekenen van de “verklaring vrijwillige terugkeer” niet in redelijkheid kan worden afgeleid dat de verzoekende partijen zich doelbewust hebben onttrokken aan de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat, zodat het duidelijk is dat het vereiste intentioneel element, in casu, niet is vervuld.