Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
237.902
Dublin III – Oostenrijk – formulier vrijwillige terugkeer – geen uitvoerbare beslissing – geen aanvechtbare rechtshandeling – beroep onontvankelijk - verwerping

De Raad benadrukt dat om ontvankelijk te zijn, een annulatieberoep moet zijn gericht tegen een uitvoerbare beslissing, zijnde een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen in het leven te roepen of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten (J. BAERT en G. DEBERSAQUES, Raad van State. Ontvankelijkheid, Brugge, die Keure, 1996, nr. 8).

 

De Raad stelt vast dat de aangevochten akten, zoals ze thans voorliggen, de rechtstoestand van de verzoekende partijen ongewijzigd laten. De bestreden akten – die door de verzoekende partijen zelf als “informatiebrieven” worden omschreven – kunnen enkel worden gezien als een mededeling aan de verzoekende partijen in het licht van de organisatie van een Dublinoverdracht, maar niet als beslissingen die rechtsgevolgen in het leven te roepen of beletten dat rechtsgevolgen tot stand komen. Het gegeven dat de verwerende partij later effectief beslissingen heeft genomen waarbij zij de overdrachtstermijnen verlengde en in deze beslissingen heeft verwezen naar de feitelijke vaststelling dat de verzoekende partijen het bij de bestreden akten gevoegde modelformulier niet ingevuld hebben teruggestuurd, laat niet toe te oordelen dat de bestreden akten handelingen zijn “die zelf rechtsgevolgen hebben” en die onmiddellijk en rechtstreeks nadeel berokkenen aan de verzoekende partijen. De onderstreepte delen in het aangebrachte uittreksel van het arrest van de Raad van State van 8 april 2011 met nummer 212.580 zijn dan ook niet dienstig, aangezien hierin wordt verwezen naar handelingen die een beslissing voorafgaan, die zelf rechtsgevolgen hebben, wat in casu niet het geval is.

 

Dit alles vindt ook steun in de verklaringen ter terechtzitting van de verwerende partij.

 

Ter terechtzitting verklaart de verwerende partij namelijk dat er slechts sprake is van informatieve brieven en dat het niet invullen van de bij de brieven gevoegde “verklaringen vrijwillige terugkeer” niet noodzakelijkerwijze tot beslissingen tot verlenging van de overdrachtstermijn zal leiden. Ze stipt aan dat de brieven geen rechtsgevolgen in het leven roepen en er slechts op zijn gericht uitvoering te geven aan § 64 van het arrest Jawo (Hvj 19 maart 2019, nr. C-163/17), d.w.z. het verstrekken van informatie aan de betrokkenen over hun verplichtingen in het kader van een overdracht. De verwerende partij verduidelijkt dat slechts wanneer zij beslissingen tot verlenging van de overdrachtstermijn treft, zoals deze voorliggen in het beroep met rolnummer 245 547, er rechtsgevolgen voor de verzoekende partijen ontstaan. De verwerende partij bevestigt tevens dat, indien zij geen beslissingen neemt tot verlenging van de overdrachtstermijn, de initiële overdrachtstermijn van zes maanden uiteraard blijft gelden.

 

De bemerking van de verzoekende partijen dat de verwerende partij in fine van de bestreden akten heeft aangegeven dat zij dienen te bevestigen dat zij “kennis [hebben] genomen van bovenstaande informatie en van de beroepsmogelijkheden tegen deze beslissing” wijzigt niets aan voorgaande vaststellingen.

 

In zoverre de verzoekende partijen laten uitschijnen dat de verwerende partij geen beslissingen tot verlenging van de termijn van overdracht zou hebben genomen, indien er geen informatiebrieven en niet ondertekende “verklaringen vrijwillige terugkeer” zouden zijn, merkt de Raad nogmaals op dat de beslissingen tot verlenging van de termijn van overdracht niet steunen op de inhoud van de bestreden akten, maar wel op een feitelijk element, te weten het niet invullen en terugsturen van de “verklaring vrijwillige terugkeer” door de verzoekende partijen.

 

Het argument van de verzoekende partijen dat uit de bestreden akten blijkt dat de verwerende partij een bepaalde interpretatie geeft aan begrip “onderduiken” in de zin van artikel 29.2 van de verordening nr. 604/2013 waarmee ze niet akkoord gaan, is een argument dat kan worden aangevoerd in het kader van een beroep tegen de beslissingen om de overdrachtstermijn voor de Dublintransfer te verlengen en laat ook niet toe te concluderen dat de bestreden akten aanvechtbare rechtshandelingen zijn.

 

De opgeworpen exceptie is gegrond.

 

Het ingestelde beroep is onontvankelijk.