Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
161.476
Gezinshereniging – familielid van een Belg - art. 40ter Vw. – stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen – bestaansmiddelen Belgische referentiepersoon – art. 42, § 1, tweede lid Vw. – behoefteanalyse – rekening houden met eigen inkomsten betrokkene in het kader van behoefteanalyse – vernietiging

Op grond van recente rechtspraak van de Raad van State meent de gemachtigde van de staatssecretaris dat er met de neergelegde documenten die betrekking hebben op de persoonlijke inkomsten uit arbeid van de verzoekende partij, geen rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van de stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen, daar het immers de Belgische onderdaan die zich wenst te laten vervoegen is die dient aan te tonen te beschikken over voldoende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen.

 

De gemachtigde van de staatssecretaris stelt vast dat blijkt dat de Belgische referentiepersoon tewerkgesteld is bij BVBA P.M., doch dat dit om een deeltijdse baan gaat waardoor zij niet beschikt over toereikende bestaansmiddelen die voldoen aan 120% van het leefloon, waardoor uit de voorlegde bewijzen aldus blijkt dat de bestaansmiddelen van de Belgische referentiepersoon heden ontoereikend zijn. Deze vaststelling noopt de gemachtigde van de staatssecretaris tot het doorvoeren van een behoefteanalyse zoals opgelegd door het hierboven weergegeven artikel 42, §1, tweede lid van de vreemdelingenwet.

 

De verzoekende partij lijkt te kunnen worden gevolgd waar zij poneert dat er geen deugdelijke behoefteanalyse werd doorgevoerd gesteund op de werkelijke, correcte en volledige feitengegevens. De verzoekende partij wijst er onder meer op dat haar eigen inkomsten niet zomaar kunnen genegeerd worden in het kader van de behoefteanalyse.

 

In het kader van de behoefteanalyse overweegt de gemachtigde van de staatssecretaris immers dat “de armoederisicogrens voor een koppel €1500 bedraagt, het inkomen van de referentiepersoon hier ver onder ligt, en rekening houdend met de algemene maandelijkse vaste kosten, de variabele kosten van het dagelijkse leven, de gezinssamenstelling, en het feit dat betrokkene eveneens van dit inkomen moet kunnen leven, blijkt uit de behoeftenanalyse dat dit bedrag veel te laag ligt om een minimum aan waardigheid voor zowel zichzelf als voor betrokkene te garanderen”.

 

Daargelaten de vraag of met de persoonlijke inkomsten van de verzoekende partij al dan niet rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van de bestaansmiddelen van de referentiepersoon, wijst de Raad erop dat de gemachtigde van de staatssecretaris, indien werd vastgesteld dat de in aanmerking genomen bestaansmiddelen niet aan de gestelde vereisten voldoen, op grond van artikel 42, §1, tweede lid van de vreemdelingenwet wettelijk verplicht is een behoefteanalyse te verrichten. Hierbij dient “op basis van de eigen behoeften van de burger van de Unie die vervoegd wordt en van zijn familieleden” uitgemaakt te worden “welke bestaansmiddelen zij nodig hebben om in hun behoeften te voorzien zonder ten laste te vallen van de openbare overheden”.

 

In casu kan uit het administratief dossier niet worden opgemaakt dat de gemachtigde van de staatssecretaris een deugdelijk onderzoek zou hebben verricht. Nochtans schrijft de wet voor dat “(d)e minister of zijn gemachtigde (…) hiervoor alle bescheiden en inlichtingen die voor het bepalen van dit bedrag nuttig zijn, (kan) doen overleggen door de vreemdeling en door elke Belgische overheid”. In elk geval werd bij de behoefteanalyse kennelijk geen rekening gehouden met de voorgelegde stavingsstukken die wijzen op de beroepsactiviteiten en de persoonlijke inkomsten van de verzoekende partij. Deze elementen kunnen nochtans een wezenlijke invloed hebben op haar behoeften. Gelet op het gebrek aan een deugdelijk onderzoek van de voormelde stavingsstukken, kon de verwerende partij ook niet vaststellen dat de verzoekende partij “eveneens (…) moet kunnen leven” van het inkomen van de referentiepersoon. Gelet op het gebrek aan een deugdelijk onderzoek in het licht van artikel 42, §1, tweede lid van de vreemdelingenwet, kon de verwerende partij niet op redelijke wijze besluiten dat het recht op verblijf van meer dan drie maanden in hoofde van de verzoekende partij diende te worden geweigerd.