Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
260.227
Gezinshereniging – familielid van een Unieburger – inreisverbod – art. 74/11 Vw. - geen obstakel – arrest K.A. enkel van toepassing op statische Unieburgers, niet op Unieburgers die gebruik maken van vrij verkeer – beperking enkel mogelijk omwille van openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid, gebruik valse documenten of fraude – art. 44nonies en 44decies Vw. – vernietiging

Aangaande het betoog van verzoeker waarbij hij wijst op zijn hoedanigheid van familielid van een Unieburger, die gebruik gemaakt heeft van haar recht op vrij verkeer

 

Verzoeker kreeg op 24 juni 2019 een inreisverbod opgelegd op grond van artikel 74/11 van de Vreemdelingenwet.

 

Op 6 februari 2020 trad verzoeker vervolgens in het huwelijk met een Nederlandse vrouw. Hij diende op 2 juni 2020 op grond van artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° van de Vreemdelingenwet een aanvraag in voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie, als echtgenoot van een Nederlandse onderdaan. Er is niet betwist dat de Nederlandse echtgenote, als Unieburger, haar recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend in België.

 

Uit de voorliggende stukken blijkt tevens dat verzoeker naar aanleiding van zijn aanvraag in het bezit werd gesteld van een bijlage 19ter, in het kader van artikel 52, § 1, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit.

 

Uit deze bepaling volgt dat de gemeente een bijlage 19ter moet afleveren wanneer de identiteit en familieband zijn bewezen. Dat deze elementen werden bewezen, wordt door de gemachtigde ook niet betwist.

 

De gemachtigde weigert evenwel verzoekers aanvraag tot gezinshereniging in aanmerking te nemen, omwille van het inreisverbod dat hem werd opgelegd in 2019, dit is voor zijn huwelijk met een Nederlandse vrouw.

 

Verzoeker betoogt dat een inreisverbod geen beletsel vormt voor het aanvragen van een verblijfskaart als familielid van een burger van de Unie. Hij wijst op het bepaalde in artikel 43 van de Vreemdelingenwet, dat enkel omwille van fraude of omwille van redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid het familielid van een burger van de Unie de binnenkomst en het verblijf kunnen worden geweigerd. Hij is van mening dat de gemachtigde, onder meer de Burgerschapsrichtlijn heeft miskend en de beslissing niet afdoende heeft gemotiveerd.

 

Zoals gesteld is de grondslag van het inreisverbod dat aan verzoeker werd opgelegd artikel 74/11 van de Vreemdelingenwet. Deze bepaling is een omzetting van artikel 11 van de richtlijn 2008/115 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn).

 

Artikel 2, punt 3 van de Terugkeerrichtlijn luidt als volgt:

“Deze richtlijn is niet van toepassing op personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen in de zin van artikel 2, punt 5, van de Schengengrenscode.”

 

Artikel 3, punt 1 van de Terugkeerrichtlijn bepaalt:

“Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. ‘onderdaan van een derde land’: eenieder die geen burger van de Unie is in de zin van artikel 17, lid 1, van het Verdrag en die geen persoon is, die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer valt, als bepaald in artikel 2, punt 5, van de Schengengrenscode (eigen onderlijnen);”

 

Artikel 2 punt 5 van de Schengengrenscode stelt het volgende:

“Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

[…]

5. „personen die onder het Unierecht inzake vrij verkeer vallen”:

a) de burgers van de Unie in de zin van artikel 20, lid 1, VWEU en de in Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ) bedoelde onderdanen van derde landen die familielid zijn van een burger van de Unie die zijn recht van vrij verkeer uitoefent (eigen onderlijnen);

b) […];”.

 

Artikel 40bis van de Vreemdelingenwet werd ingevoegd door de wet van 25 april 2007 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (BS 10 mei 2007) en vervangen door de wet van 8 juli 2011 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de voorwaarden tot gezinshereniging (BS 12 september 2011).

 

In dit kader moet worden opgemerkt dat artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° van de Vreemdelingenwet, de omzetting vormt van artikel 2, lid 2, a) en artikel 3, lid 1 van de Burgerschapsrichtlijn (zie memorie van toelichting bij Wetsontwerp van 11 januari 2007 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, Parl.St. Kamer 2006-2007, doc. nr. 51-2845/001).

 

De kernfamilieleden van de Unieburger, zoals vermeld in artikel 2, lid 2 van de richtlijn, beschikken over een recht op binnenkomst en op verblijf in de gastlidstaat onder de in de Burgerschapsrichtlijn gestelde voorwaarden. In deze zin kent artikel 40bis, §§ 3 en 4 van de Vreemdelingenwet een recht van verblijf toe voor zover de familieleden van de Unieburgers, vermeld in artikel 40bis, § 2 van de Vreemdelingenwet, voldoen aan de gestelde binnenkomst- en verblijfsvoorwaarden.

 

Zoals eerder gesteld, blijkt uit het administratief dossier en de bestreden beslissing niet dat de identiteit van verzoeker en de gezinsband tussen verzoeker en zijn echtgenote worden betwist. Het wordt niet betwist dat verzoeker de echtgenoot is van een Nederlandse vrouw die in België woont en van wie kan worden aangenomen dat zij haar rechten van vrij verkeer als Unieburger heeft uitgeoefend.

 

Verzoeker moet sinds zijn huwelijk dus worden beschouwd, niet als een derdelander zoals bedoeld in de Terugkeerrichtlijn, maar als een derdelander die familielid is van een burger van de Unie die gebruik heeft gemaakt van haar rechten van vrij verkeer.

 

Zoals verzoeker opmerkt, kan volgens artikel 43, § 1 van de Vreemdelingenwet het recht op binnenkomst en het recht op verblijf, zoals het wordt toegekend aan familieleden van Unieburgers vernoemd in artikel 40bis van de Vreemdelingenwet, enkel worden beperkt in volgende gevallen:

Ҥ 1.

De minister of zijn gemachtigde kan de binnenkomst en het verblijf van de burgers van de Unie en hun familieleden weigeren :

1° wanneer zij valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten hebben gebruikt, of fraude hebben gepleegd of andere onwettige middelen hebben gebruikt, die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf;

2° om redenen van openbare orde, nationale veiligheid of volksgezondheid.

§ 2.

Wanneer de minister of zijn gemachtigde overweegt een beslissing zoals bedoeld in paragraaf 1 te nemen, houdt hij rekening met de duur van het verblijf van de burger van de Unie of zijn familielid op het grondgebied van het Rijk, zijn leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong.”

 

Artikel 45 van de Vreemdelingenwet, dat verwijst naar artikel 43, luidt als volgt:

Ҥ 1. De redenen van openbare orde, nationale veiligheid en volksgezondheid bedoeld in de artikelen 43 en 44bis mogen niet worden aangevoerd voor economische doeleinden.

§ 2. De in de artikelen 43 en 44bis bedoelde beslissingen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het persoonlijk gedrag van de betrokken burger van de Unie of zijn familielid.

Eerdere strafrechtelijke veroordelingen zijn als zodanig geen reden voor dergelijke beslissingen.

Het gedrag van de burger van de Unie of van zijn familielid moet een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving zijn. Motiveringen die los staan van het individuele geval of met algemene preventieve redenen verband houden, mogen niet worden aangevoerd.

Om te beoordelen of de burger van de Unie of zijn familielid een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt, kan de minister of zijn gemachtigde, bij de afgifte van de verklaring van inschrijving of van de verblijfskaart van familielid van een burger van de Unie, en als hij het onontbeerlijk acht, aan de lidstaat van oorsprong en, eventueel aan andere lidstaten, inlichtingen vragen over de gerechtelijke antecedenten van de betrokkene. Deze raadpleging mag geen systematisch karakter dragen.

§ 3. Alleen de ziekten opgesomd in de bijlage bij deze wet kunnen de in artikelen 43 en 44bis bedoelde maatregelen rechtvaardigen. […]

§ 4. […].”

 

Blijkens deze bepalingen kan de gezinshereniging tussen Unieburgers en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, enkel beperkt worden om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid of indien valse documenten werden gebruikt of fraude werd gepleegd. Het niet in aanmerking nemen van een verblijfsaanvraag van een familielid van een Unieburger moet worden beschouwd als het beperken van de vrijheid van verkeer en verblijf van Unieburgers en hun familieleden.

 

Het begrip ‘openbare orde’, zoals het wordt gebruikt in artikel 27 van de Burgerschapsrichtlijn, waarvan de artikelen 43 en 45 van de Vreemdelingenwet de omzetting vormen, moet restrictief worden uitgelegd. De uitzondering van openbare orde vormt een afwijking van het fundamentele beginsel van het vrije verkeer van personen, die strikt moet worden opgevat en waarvan de draagwijdte niet eenzijdig door de lidstaten kan worden bepaald. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie veronderstelt het beroep van een nationale instantie op het begrip openbare orde, in het kader van de Burgerschapsrichtlijn, hoe dan ook het bestaan van een werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (HvJ 10 juli 2008, C-33/07, Jipa, en verwijzing naar rechtspraak daarin).

 

In casu verwijst de gemachtigde naar het gegeven dat verzoeker het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod als reden om de verblijfsaanvraag niet in aanmerking te nemen. Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat de gemachtigde is nagegaan of verzoeker valt onder voormelde gronden waardoor het verblijf kan worden geweigerd, bv. of dat verzoeker een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.

 

Daarenboven merkt de Raad op dat artikel 20 van het VWEU, dat handelt over het burgerschap van de Unie, iedere burger van de Unie een fundamenteel en persoonlijk recht verleent op vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten. In artikel 21 van het VWEU wordt dit recht op vrij verkeer opnieuw bevestigd en wordt dit recht uitgeoefend onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

 

De Raad herinnert eraan dat het eventuele verblijfsrecht van een derdelander-familielid in een lidstaat van de Unie is afgeleid uit de uitoefening van het recht van vrij verkeer door een burger van de Unie (zie HvJ van 12 maart 2014, O. en B., C-456/12, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

 

Het Hof van Justitie heeft eveneens geoordeeld dat de bepalingen waarin een fundamenteel beginsel is verankerd, zoals het vrije verkeer van personen, ruim moeten worden uitgelegd en dat aan deze bepalingen in geen geval hun nuttig effect mag worden ontnomen (HvJ 7 oktober 2010, C-162/09, Lassal, pt. 31). De beperkingen van de vrijheid van verkeer moeten volgens het Hof van Justitie daarentegen restrictief worden uitgelegd (HvJ 3 juni 1985, C-139/85, Kempf, pt. 13).

 

Zoals reeds gesteld, is het niet betwist dat de Nederlandse echtgenote van verzoeker thans haar recht van vrij verkeer en verblijf uitoefent in België. Bovendien blijkt dat het inreisverbod van drie jaar waarop de gemachtigde zich steunt om verzoeker zijn verblijfsrecht te weigeren door de aanvraag niet in aanmerking te nemen, niet steunt op enig element van openbare orde. Verzoeker wijst er terecht op dat niet werd beweerd door de gemachtigde dat hij een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Het aan verzoeker opgelegde inreisverbod kan ten overvloede evenmin beschouwd worden als een inreisverbod in de zin van de artikelen 44nonies en 44decies van de Vreemdelingenwet, die een omzetting vormen van artikel 32 van de Burgerschapsrichtlijn. Er blijkt dat ook een inreisverbod aan een familielid van een unieburger kan opgelegd worden uitsluitend om redenen van openbare orde, nationale veiligheid of volksgezondheid, quod non in casu.

 

De Raad kan verzoeker dan ook volgen dat de gemachtigde afbreuk doet aan artikel 21 van het VWEU en het bepaalde in de Burgerschapsrichtlijn door het niet in aanmerking nemen van een aanvraag tot gezinshereniging om de reden dat in het verleden een inreisverbod werd afgeleverd aan de derdelander, thans familielid van een Unieburger die haar rechten van vrij verkeer heeft uitgeoefend. Zoals aangestipt, stoelde dit inreisverbod niet op redenen van openbare orde. Verder kan verzoeker ook gevolgd worden waar hij aanstipt dat het arrest KA, waarnaar de gemachtigde impliciet lijkt te verwijzen, betrekking had op derdelanders die aan aanvraag indienden in functie van statische Belgen, hetgeen verschillend is van de situatie in casu (zie dienaangaande punt 40 van het arrest KA).

 

Om de voorgaande redenen is de bestreden beslissing eveneens niet afdoende gemotiveerd.

 

De Raad stelt vast dat verweerder in de verweernota niet ingaat op het argument van verzoeker dat hij niet langer de loutere hoedanigheid heeft van een derdelander, doch wel van een derdelander die familielid is van een unieburger die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer en dat in die situatie zijn verblijf enkel kan geweigerd worden omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 40bis van de Vreemdelingenwet of om redenen zoals bepaald in artikel 43 iuncto artikel 45 van de Vreemdelingenwet. Minstens kan niet aangenomen worden dat het inreisverbod dat aan verzoeker werd opgelegd op 24 juni 2019 in casu de grond kan vormen voor het weigeren van het in overweging nemen van zijn verzoek tot gezinshereniging.

 

De voorgaande vaststellingen leiden reeds tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing.

 

Aangaande het betoog van verzoeker dat de bestreden beslissing niet op afdoende wijze in rechte is gemotiveerd en aangaande het ontbreken van een rechtsgrond voor het nemen van de bestreden beslissing

 

De Raad kan enkel vaststellen dat noch artikel 40bis van de Vreemdelingenwet, noch artikel 52 van het Vreemdelingenbesluit, noch enig ander artikel in de Vreemdelingenwet of het Vreemdelingenbesluit voorzien dat de aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie niet in overweging kan worden genomen wanneer dit familielid het voorwerp uitmaakt van een definitief inreisverbod. Noch in de Vreemdelingenwet, noch in het Vreemdelingenbesluit is bepaald dat de bijlage 19ter, omwille van een dergelijk inreisverbod, als onwettig of als onbestaande wordt beschouwd.

 

Waar in de bestreden beslissing wordt gesteld dat niet blijkt dat verzoeker, overeenkomstig artikel 74/12 van de Vreemdelingenwet, de opheffing van het inreisverbod heeft bekomen, noch dat het bestuur het inreisverbod heeft ingetrokken, moet samen met verzoeker worden opgemerkt dat deze motivering in rechte niet kan volstaan om de beslissing tot niet in overwegingname van de aanvraag gezinshereniging te dragen. Artikel 74/12 van de Vreemdelingenwet regelt immers enkel de modaliteiten van de opheffing en schorsing van een inreisverbod, maar niet de voorwaarden voor het indienen van een aanvraag voor een verblijfskaart (RvS 9 augustus 2016, nr. 235.598: “Meer precies, noch het artikel 74/12 van de wet van 15 december 1980, dat de modaliteiten voor de opheffing en schorsing regelt van een inreisverbod, en niet de voorwaarden voor het indienen van een aanvraag voor een verblijfskaart, noch artikel 40ter dat de voorwaarden voor de erkenning van het verblijfsrecht regelt en niet de voorwaarden om een dergelijk recht te verzoeken kunnen de juridische grond vormen voor de beslissing genomen door de verzoeker [in casu Dienst Vreemdelingenzaken]” - eigen vertaling). Ook de vermelding van artikel 40bis van de Vreemdelingenwet kan aldus niet volstaan, nu deze bepaling ook geen betrekking heeft op de voorwaarden om een verblijfsrecht aan te vragen, doch enkel op de voorwaarden voor de erkenning van het verblijfsrecht.

 

Samen met verzoeker moet worden vastgesteld dat de thans bestreden beslissing geen valabele rechtsgrond heeft. Niet alleen vermeldt de bestreden beslissing geen valabele rechtsgrond voor de bestreden beslissing, er is ook geen enkele wetsbepaling die voorziet dat de gemachtigde de aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie weigert in overweging te nemen of dat de gemachtigde weigert om uitspraak te doen over de aanvraag omwille van het motief dat de verzoeker onderhevig is aan een inreisverbod (RvS 9 augustus 2016, nr. 235.598). De Raad van State stelde in dit arrest uitdrukkelijk: “Dès lors que le premier juge a considéré légalement qu’aucune norme n’habilite le requérant à refuser de prendre en considération la demande de la partie adverse, il a pu en déduire valablement que la décision du requérant était dépourvue de base légale.” (eigen vertaling: “de eerste rechter heeft wettig geoordeeld dat geen enkele bepaling de verzoeker [het bestuur] toelaat om de aanvraag niet in overweging te nemen, hij heeft op wettige wijze daaruit kunnen afleiden dat de beslissing van de verzoeker [het bestuur] ontdaan is van wettelijke grondslag”).

 

Aangezien de bestreden akte geen motief bevat dat de bestreden beslissing in rechte kan dragen, dient te worden vastgesteld dat deze beslissing niet afdoende is gemotiveerd. Daarnaast blijkt anderzijds ook een gebrek aan afdoende rechtsgrond voor de bestreden akte.

 

Een schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 is aangetoond. Ook de afwezigheid van een afdoende rechtsgrond wordt aangenomen.

 

In de nota met opmerkingen duidt verweerder enkel op theoretische wijze de betekenis van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991. Hij verweert zich niet tegen het argument van verzoeker dat de beslissing geen motief in rechte vermeldt dat de bestreden beslissing kan schragen, noch tegen het argument dat er geen rechtsgrond bestaat voor een dergelijke beslissing. Hij verwijst wel naar een arrest van de Raad van State, waar in de bestreden beslissing ook naar wordt verwezen, waarin een arrest van de Raad werd gecasseerd. Dat arrest van de Raad steunde op het arrest Ouhrami van het Hof van Justitie voor de algemene vaststelling dat een inreisverbod geen rechtsgevolgen heeft zolang de betrokkene het grondgebied niet heeft verlaten. Thans steunt de Raad zich niet op het arrest Ouhrami.

 

Waar verweerder verder nog aanstipt dat de gemachtigde een afhankelijkheidsonderzoek heeft gedaan tussen verzoeker en zijn Nederlandse vrouw, en de Raad in de beslissing een verwijzing naar “het Hof” leest, waarbij kan vermoed worden dat impliciet wordt verwezen naar het arrest KA, wijst de Raad erop dat het Hof in § 54 stelt: “In dit verband is het weliswaar een zaak van de lidstaten om te bepalen hoe zij gestalte geven aan het afgeleide verblijfsrecht dat in de zeer bijzondere situaties als bedoeld in punt 51 van het onderhavige arrest krachtens artikel 20 VWEU aan de derdelander moet toekomen […].” Het Hof geeft hiermee aan dat door het bestaan van een inreisverbod een aanvraag gezinshereniging in functie van een statische unieburger (quod non in casu zie supra) kan geweigerd worden mits het nodige afhankelijkheidsonderzoek. Het Hof stelt evenwel dat het de lidstaten toekomt concreet gestalte te geven op welke wijze deze voorwaarden worden bepaald (zie in dezelfde zin recenter: HvJ 27 februari 2020, C-836/18, punt 51.) Ten overvloede wijst de Raad erop dat ook het EHRM reeds heeft gewezen op de vereiste van de voorzienbaarheid in rechte. De relevante wetgeving moet ‘toegankelijk’ zijn voor de betrokken vreemdeling en ‘voorzienbaar’. Een rechtsbepaling is ‘voorzienbaar’ indien die met voldoende precisie is geformuleerd (EHRM 17 februari 2009, nr. 27319/07, Onur v. Verenigd Koninkrijk, par. 48.).

 

In dit geval stelt de Raad vast dat de bestreden beslissing weliswaar lijkt in te gaan op wat in het voormeld arrest KA wordt gesteld, maar nalaat aan te tonen op basis van welke rechtsbepaling in dit geval een bijlage 19ter kan worden ingetrokken. Er is geen enkele verduidelijking over een wettelijke bepaling die gestalte geeft aan de inhoud van het arrest, terwijl evenmin in artikel 40bis van de Vreemdelingenwet of in artikel 52 van het Vreemdelingenbesluit is voorzien dat een bijlage 19ter kan worden ingetrokken of als onbestaande kan worden beschouwd. In die zin kan de redenering van verzoeker ook gevolgd worden waar hij stelt dat de procedure, voorzien in artikel 52 van het Vreemdelingenbesluit en in artikel 40bis van de Vreemdelingenwet, niet werd nageleefd.

 

Ten overvloede blijkt evenmin Europese regelgeving met directe werking te voorzien dat een aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie niet in overweging wordt genomen omwille van het motief dat een vreemdeling onderhevig is aan een eerder inreisverbod. Er blijkt geen nationale rechtsgrond, die de Raad conform het arrest KA kan uitleggen. De verplichting voor de nationale rechter om bij de uitlegging en de toepassing van de relevante bepalingen van zijn interne recht te refereren aan het Unierecht, kan immers niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht (HvJ 15 april 2008, Impact, C 268/06, Jurispr. blz. I 2483, pt 100; HvJ 24 januari 2012, Dominguez, C-282/10, pt 25). De rechter is niet verplicht om aan bepalingen van nationaal recht een uitlegging te geven, die niet strookt met de bewoordingen ervan (K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2011, p. 603, nr. 782).

 

Dit arrest van het Hof van Justitie kan op zichzelf geen rechtsgrond vormen voor de bestreden beslissing, noch artikel 40bis van de Vreemdelingenwet of artikel 52 van het Vreemdelingenbesluit, zoals supra uitgelegd. Er is evenmin de situatie van een met het Unierecht strijdige nationale bepaling die buiten toepassing dient te worden gelaten. Verder wijst de Raad er ook ten overvloede op dat de gevolgen van een prejudiciële beslissing niet enkel betrekking hebben op de rechterlijke instanties maar dat “de overheden van de betrokken lidstaat ervoor zorgen dat het nationale recht zo spoedig mogelijk in overeenstemming wordt gebracht met het Unierecht.” (K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2011, p. 657, nr. 859-860).

 

Het betoog van verweerder doet geen afbreuk aan de voorgaande vaststelling.

 

De voornoemde middelen zijn in de aangegeven mate gegrond.