Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
216.428
BGV – art. 39/56 Vw. – belang – medewerkingsplicht – vraag of verzoeker nog op Belgisch grondgebied verblijft – advocaat kan ter terechtzitting geen duidelijk antwoord geven – onontvankelijk – verwerping

De Raad kan enkel vaststellen dat verzoeker heeft verzuimd een duidelijk antwoord te verschaffen op de door de Raad, zowel bij beschikking van 14 december 2018 als ter terechtzitting, gestelde vragen. Verzoekers raadsvrouw beperkt er zich toe te stellen dat de aanwezigheid van verzoeker voldoende blijkt uit de verandering van raadsman in de loop van huidige procedure, doch er blijkt niet dat dergelijke verandering van raadsman niet kan geregeld worden vanop afstand, buiten de Schengenzone. Alleszins wordt niet concreet aangetoond dat verzoeker op het ogenblik dat hij van raadsman veranderde, zich nog op het Belgische grondgebied bevond. De Raad herhaalt dat de raadsvrouw erkent dat zij geen documenten kan voorleggen. De loutere overtuiging van de aanwezige raadsvrouw, dat het weinig waarschijnlijk is dat verzoeker het grondgebied zou hebben verlaten, volstaat – gelet op de in punt 2.6. weergegeven vaststellingen – niet. Er zijn in casu relevante gegevens voorhanden op grond waarvan verzoekers belang in vraag kan worden gesteld, waarbij laatstgenoemde de verplichting heeft medewerking aan de rechter te verlenen wanneer hij daartoe wordt verzocht. Loutere veronderstellingen van de aanwezige raadsvrouw kunnen het gebrek aan informatie aangaande verzoekers precieze verblijfsplaats niet verschonen.